Siets en Gijs op wereldreis!

Indonesië: land van vulkanen, rijstvelden en stranden

Indonesië is een land dat in het examenprogramma Aardrijkskunde op de Havo aan bod komt maar toch geeft het een ander beeld als je het land met eigen ogen ontdekt. Het is een land dat bijna 350 jaar onder Neerlands gezag heeft gestaan; het land werd zowel uitgebuit als deels weer opgebouwd door de Nederlanders en het feit dat de Nederlanders hier gezeten hebben is in het dagelijks leven nog terug te zien. Woorden als redaksi, taksi, polisi, knalpot en wortel vertellen hier de Nederlandse invloeden al is de cultuur totaal verschillend met die van ons. We hebben ‘maar’ 2,5 week door Java en Bali gereisd maar weten één ding: we komen nog eens terug!

Niets is toeval?!
Na heel wat vertraging vanuit Myanmar en Kuala Lumpur komen we ’s avonds laat in de metropool Yogyakarta (ook wel Jogja genoemd) aan. Een hele vriendelijke taxichauffeur vertelt ons honderduit over zijn stad en zijn eiland Java. Java is het dichtstbevolkte eiland van Indonesië en dat merken we als we de dag daarna de stad bezichtigen. Op weg naar het paleis van de sultan, het Kraton, worden we om de paar meter aangesproken of we een becak, een fietstaxi willen. We slaan nog even af omdat de afstanden tussen de sites in Jogja goed te doen zijn.
Het Kraton is zowel de huidige residentie van de sultan als ook het culturele en politieke hart van Jogja. Het is een grote compound waar ongeveer 25.000 mensen wonen en werken met haar eigen markt, school, moskee en winkeltjes. Persoonlijk vonden wij het niet heel erg spectaculair maar of dat nu komt omdat wij in de loop der jaren ietwat verwend zijn met allemaal paleizen of dat het kwam omdat alles in het Bahasa geschreven was waardoor je bijna wel een gids nodig had. Wij kunnen het niet zeggen..
Vanuit het Kraton lopen we door (‘You want transport?’) naar Taman Sari. Taman Sari is het buitenpaleis van de sultan met allemaal zwembaden en kleine paleisjes. Binnen Taman Sari kom je in een wirwar van kleine straatjes terecht en wandel je echt door de kampongs (de kleine volkswijkjes). Na een heerlijke fruitshake nemen we dan toch een becak terug naar ons hotel. Als we ’s avonds willen gaan eten zien we daar ineens twee collega’s van Siets in een barretje zitten en als we later op de avond ook nog een andere collega van Siets tegenkomen is de vraag snel gesteld of dit toeval is?
De dag daarna als we op de goddelijke tijd van 03.00 ’s nachts opstaan om naar de Borobudur te  gaan is het ‘toevallig’ ook Gijs zijn verjaardag. Gijs kan zo wel optimaal van zijn verjaardag genieten! We staan niet voor niets zo vroeg op omdat we de zonsopkomst willen zien bij de bekende Borobudur. Wat Angkor Wat is voor Cambodja en Bagan voor Myanmar, dat is de Borobudur voor Indonesië. Dit immense boeddhistische tempelcomplex heeft in de loop der jaren al veel aardbevingen en vulkaanuitbarstingen doorstaan maar is zo goed als intact gebleven.
Als we aan komen lopen in het donker zien we de contouren van de Borobudur al voor ons opdoemen en misschien vonden we dit achteraf wel het meest indrukwekkende van het complex. In het hoogseizoen bezoeken ongeveer 90.000 mensen de Borobudur en met dat gegeven wilden wij wel heel wat eerder opstaan om de grote massa te ontlopen.
We zien de zon heel langzaam de horizon in tig verschillende kleuren veranderen waarbij de Borobudur op de voorgrond langzaam duidelijk wordt tussen de optrekkende nevel met op de achtergrond de vulkaan Merapi. Uren hebben we hier rondgelopen voordat we de taxi terug namen richting Jogja om even een paar uurtjes wat slaap te pakken in het hostel.
Tegen het begin van de middag voelen we ons weer als herboren en huren we een scooter om richting de Prambanan te brommeren. Bezochten we ’s ochtends een boeddhistische tempel, ’s middags was het de beurt aan de hindoeïstische tempel Prambanan. Deze tempel is het hart van het hindoeïsme op Java en de tempels dateren uit de 8e tot en met de 10e eeuw. Het hele complex werd in de jaren daarna verlaten omdat het zwaartepunt van het hindoeïsme zich verplaatste naar Oost-Java.
Op dit moment zijn ze druk bezig om de tempels te restaureren maar we kunnen ons wel indenken hoe indrukwekkend dit geweest moet zijn. Apart blijft dat tijdens de vele uitbarstingen en aardbevingen deze complexen stand hielden terwijl de moderne gebouwen tegen de grond gingen..
Deze (wederom) afwisselende en indrukwekkende verjaardag van Gijs sluiten we af met een aantal borrels in een kroegje samen met de collega’s van Siets. 
Bulderende Bromo en Ijen       
Na de verjaardag van Gijs is het weer vroeg op om de trein te pakken vanuit Jogja naar Malang. De trein raast langs dorpjes en mooie groene rijstvelden voordat we weer met de nodige vertraging aankomen in Malang. Was het eerst nog de bedoeling om hier een nacht te slapen, die plannen werden ‘verstoord’ toen we de optie kregen om ’s nachts nog te vertrekken richting de Bromo en Kawah Ijen vulkanen. Na een (hele) korte powernap zaten we om 12.00 alweer in de minivan met een aantal Italianen, Nederlanders, Denen en Fransen op weg naar Oost-Java.
In alle vroegte komen we aan bij de voet van de Gunung Penanjakan van waaruit we de zon op zien komen in de verte. De lucht kleurt weer in afwisselende kleuren en tussen de laaghangende wolken door zien we de nog rokende vulkaan Raung die in Indonesië voor nogal wat overlast voor het vliegverkeer zorgt. Kijkend naar rechts zien we de enorme caldera krater waarin de Bromo gelegen is.
De Bromo is een behoorlijk actieve vulkaan met ongeveer om de 5 tot 10 jaar een eruptie (en dat is kort op elkaar kunnen we jullie zeggen)… In de krater zijn nog twee andere vulkanen ontstaan en het aanzicht is *niet alleen voor een aardrijkskundedocente maar ook voor elke leek* indrukwekkend.
Na de zonsopkomst springen we weer in onze stoffige jeep die de caldera inrijdt om zo de Bromo te kunnen beklimmen. Na wat stof happen en de nodige traptreden staan we aan de rand van de rokende en naar zwavel ruikende krater van de Bromo. Achter ons trekt de ochtendmist op en we wanen ons net zo goed weer even in het mooie Bolivia met al deze vergezichten.
Behoorlijk stoffig geworden scheuren we door naar ons hotelletje met zwembad waar we gezellig kletsen met Mirjam en Joyce, twee leuke en gezellige Hollandse meiden. Ook nu weer niet uitslapen maar wederom om 12.00 ’s nachts ons bed uit om ons op te maken voor een hike in de krater van de Kawah Ijen vulkaan. Deze hike is niet voor iedereen bestemd want mensen met astma of een mindere conditie worden geacht in het hotel te blijven. Wanneer we aan de kraterrand staan krijgen we onze gasmaskers die we op moeten zetten voor de afdaling.
De Kawah Ijen is een vulkaan waaruit grote wolken zwavel opstijgen en zonder gasmasker zorgt dat acuut voor brandende ogen en longen. Het stinkt ontzettend naar rotte eieren en gezond is het volgens ons absoluut niet (het kratermeer van de Ijen blijkt met een zuurgraad van 0,18 ook het zuurste meer ter wereld te zijn). Tijdens de afdaling zien we kleine mannetjes met rieten manden op hun schouders een behoorlijke lading van deze zwavelblokken naar boven sjouwen. Zo’n mandje moet minimaal 50 en mag maximaal 90 kilo wegen en de werkers versjouwen deze manden twee keer van onder naar boven en krijgen daar nauwelijks iets voor betaald.
De zwavelblokken worden in fabrieken bewerkt en gebruikt voor o.a. cosmetica en medicijnen. Naast de grote gele zwavelblokken is het andere bijzondere aan deze vulkaan het blauwe vuur. Dit blauwe vuur ontstaat wanneer de zwaveldampen in aanraking komen met zuurstof/lucht en dus vlam vatten. Je kunt het blauwe vuur alleen ’s nachts zien en dan ziet het er echt apart uit.
Nadat we de zon op zagen komen boven de vulkaan hebben we de weg naar boven weer ingezet en bij ons busje aangekomen voelen we ons allemaal vies, stoffig en vooral hebben we het idee een uur in de wind te stinken (wat waarschijnlijk ook echt zo was). Binnen no time zetten we de weg in naar de ferry die ons naar Bali brengt. Het Bali van eindeloos relaxen en de laatste etappe van onze reis…
Aan mijn Nusa..
We hebben bij de ferry even getwijfeld of we naar de bountyeilanden van de Gili’s zouden gaan of het iets dichterbij het vasteland van Bali zouden houden. De lagere kosten én de kans op het zien van manta’s en mola mola’s (sunfish) gaven de doorslag om te kiezen voor het nog niet zo toeristische eiland Nusa Lembongan. Na even zoeken (niks boeken vooraf en dan in het hoogseizoen op reis gaan is niet altijd even handig) kwamen we in een waar paradijsje terecht. Voor nog geen €25 per nacht met zijn tweeën zitten we in een mooie hut en ligt het zwembad bijna letterlijk op het strand. Hier gaan we eens even optimaal genieten de laatste week!
En dat genieten hebben we gedaan. De dagen bestaan uit lekker eten, relaxen aan het strand en zwembad, boekje lezen en gewoon rondkijken hoe het leven aan de eilandgangers voorbij trekt. Op dit eiland ’s avonds geen dronken partygangers maar kleine jongetjes die proberen om hun vlieger, gemaakt van een vuilniszak, zo hoog mogelijk in de lucht te houden..
Genieten doen we ook op en in het water als we één dag meegaan met ‘Captain Coconut.’ Een gedreven jonge gast die helemaal idolaat is van de wondere onderwaterwereld. Wanneer we even ronddobberen tussen tig andere bootjes in Manta Bay komt hij met een voorstel: ‘Ze zeggen dat hier geen manta’s zitten. We kunnen hier snorkelen of we vertrekken naar Manta Point, een half uur verderop waar we gegarandeerd manta’s zien.’ Gelukkig hoefde onze boot hier niet heel lang over na te denken en zo kwamen we na een half uur op open zee als enige bootje vol snorkelaars in Manta Point aan. Gijs lag na een halve seconde al in het water en net op het moment dat Siets het water in wilde springen riep Gijs dat ze beter even kon wachten omdat op dat moment drie gigantische mantaroggen onder haar voeten doorzwommen!
We hebben een uur in het water gelegen bij Manta Point en in totaal meer dan 25 roggen voorbij zien zwemmen, variërend in grootte van 3 tot zelfs 5,5 meter breed!!! Ze zwemmen heel relaxed rond het ‘cleaning station’ zoals de duikers Manta Point ook wel noemen. Behoorlijk indrukwekkend wanneer we op drie verschillende plekken rondom Manta Point het water induiken en telkens omringd worden door giga manta’s.
Na deze belevenis gaan we daarna nog langs Long Bay en Mangrove Point om het meest prachtige koraal en de visjes te zien voordat we helemaal vol adrenaline weer aan land gaan. We hebben mega geluk gehad omdat de dagen daarvoor de duikers soms 3 of 4 manta’s zagen en wij op drie plaatsen gewoon 25 manta’s in totaal zagen! Er zaten er zoveel dat je ze vanaf de boot ook gewoon kon zien. Machtig!
Dat machtige doet Gijs tijdens zijn dagje duiken nog eens over als hij weer gaat duiken bij Manta Point maar ook bij Crystal Bay. Ook bij deze duiken weer genoeg mantaroggen, koraal en verschillende visjes om hem heen. Helaas liet de mola mola zich tijdens de duiken niet zien, maar ach, je kunt niet alles hebben he?! Op de laatste dag in Nusa relaxen we weer aan het zwembad en in de zee en nemen we een heerlijke Balinese massage waarbij alle spieren en ledematen behoorlijk los gemasseerd zijn. Een heerlijk ontspannen afsluiting..
Surf ’n Turf op Bali
Na bijna een week op Nusa Lembongan gezeten te hebben verlieten we dit paradijselijke eilandje om terug te keren naar Bali voor onze allerlaatste dagen van de reis. Aangekomen in Sanur pakken we een gammel busje dat ons afzet in Canggu; een chill surfersdorpje. Bijna alle scooters die je voorbij ziet rijden hebben een surf rack vastgemaakt aan hun scooter voor hun surfboard.
Ook wij huren voor drie dagen een scooter *zonder zo’n rek* omdat in Canggu alles behoorlijk ver uiteen ligt. Eén dag gaan we met de scooter naar Ubud maar dat bleek nog niet zo eenvoudig te zijn. Elke keer als we de weg vroegen kregen we hetzelfde antwoord ‘Ubud? Oeeh, long way, velly velly fah.’De absolute afstand was maar 31 kilometer maar als je hier een bemo (gammel busje dat om de paar meter stopt om mensen op te halen) neemt dan duurt dat inderdaad velly lang. Gijs laat zien dat hij de Balinese rijstijl al aardig onder de knie heeft en al zigzaggend scheuren we door het verkeer heen. Het lastigste was om de juiste weg te vinden want elke Balinees die we vroegen stuurde ons weer heel vrolijk een andere kant op. Uiteindelijk toch in Ubud gekomen van waaruit we een wandeling maakten door de rijstvelden en over de marktjes struinden.
Aan het einde van de dag op de GPS terug naar Canggu en dat ging wonderwel een stuk sneller en efficiënter. De laatste twee dagen gaan we helemaal op in de surfvibe als we een surfplank huren en de Indische Oceaan induiken bij Ecko Beach. Al die keren oefenen hebben toch wel hun vruchten afgeworpen want het gaat ons eigenlijk (al zeggen we zelf) redelijk goed af.
De golven zijn behoorlijk hoog maar het lukt ons om ze te pakken en bovendien ook nog op die plank te blijven staan! Ecko Beach is daarnaast een plek waar je geen families met kinderen vindt *als je ze al vindt dan staan de kids ook op een surfplank* maar waar de Billabong dames en heren heel relaxed voorbij wandelen of waar iedereen die net uit het water komt een drankje pakt bij een strandtentje verderop waar de deuntjes van Elvis uit de speakers komen.
Vanaf Ecko Beach zie je ook de vliegtuigen af en aan vliegen naar het vliegveld van Denpasar en met een laatste blik op Ecko Beach en de vliegtuigen beseffen we dat ook wij niet ontkomen aan de terugreis. Morgenmiddag is het zover en vliegen we, na vijf heerlijke weken, weer terug naar ons heerlijke Nederland. Helemaal uitgerust en weer een hoop nieuwe ervaringen rijker maken we ons thuis op voor de volgende reis in oktober: IJsland! Dan kan het uitkijken naar een nieuw avontuur weer beginnen..

Minglaba Myanmar

Na heel weinig voorbereidingen voor onze reis mochten we de backpacks weer van zolder halen om ons klaar te maken voor één van de nog (relatief) onontdekte landen in Azië; Myanmar. Maar dat deden we niet voordat we even teruggingen naar onze favoriete Aziatische stad Bangkok. Na drie dagen namen we weer afscheid van het fijne Bangkok (dat in vijf jaar tijd ontzettend veranderd is en niet zozeer in positieve zin) en vlogen we met AirAsia naar Mandalay in het noorden van Myanmar.

Back in Bangkok
Dat we lang uitgekeken hebben naar onze terugkeer in Bangkok hoeven we jullie natuurlijk niet te vertellen. Bangkok is in de loop der jaren een tweede thuis geworden en het voelde ook als thuiskomen in ons inmiddels vertrouwde New Siam II Guesthouse. Snel de tassen op onze kamer gooien en dan vlug voor een eerste Chang bier, Spy Wine en Pad Thai naar Khao San Road. Hadden we tijdens ons jaar reizen weinig last van echte cultuurshocks, dit was er één van formaat! De straat afgeladen vol feestende, dronken mensen en barretjes die strijden om wie de muziek het hardst uit de speakers kan laten knallen. En dat was pas one night in Bangkok.
De andere nacht worden we door de ouders van een oud-leerling van Siets uitgenodigd om naar Lebua te komen, oftewel de Sky Bar van de film The Hangover. Wat een view! We eten daarna bij Cabbages & Condoms; een restaurant waarbij de volledige opbrengst van het eten ten goede komt aan het terugbrengen van de prostitutie, HIV-gevallen en het hoge geboortecijfer in Bangkok. Na afloop dan ook geen pepermuntje bij de rekening maar een condoom. De organisatie wil dat een condoom in de toekomst net zo makkelijk verkrijgbaar en goedkoop wordt als een krop sla. Samen met Max en zijn broer sluiten we met een paar borrels een gezellig avondje af op Khao San Road.
Het andere dat we doen in Bangkok heeft *wellicht niet gek voor diegenen die ons tijdens onze wereldreis ook al volgden* met eten te maken. Een echte Thaise kookcursus hadden we nog niet gedaan en daarom togen we op onze laatste dag in Bangkok richting Lemongrass om samen met een heel lief Thais vrouwtje de markten af te struinen. We leren van alles over de groenten en spices die we wel maar vooral ook niet in een groene curry of Pad Thai moeten doen.
Na de markt gaan we zelf aan de slag met het bereiden van de gerechten en we moeten zeggen; onze groene curry is behoorlijk goed gelukt. Nu maar hopen dat we dat straks thuis ook nog echt in de praktijk kunnen brengen zonder Thaise ondersteuning.
Magisch Myanmar
Na drie dagen was het dan tijd om Bangkok achter ons te laten en op weg te gaan naar een voor ons onbekend land. We landen in Mandalay en daar ontmoeten we Rob en zijn Ierse vriendin Kylie voor het eerst (weer). Na de eerste uitspraken als  ‘hey pik, hey chef’ gaan we de straat op om te eten. We komen terecht in een lokaal tentje met plastic stoelen en dan zijn wij helemaal in ons element.
De Birmezen zijn zo ont-zett-end vriendelijk en oprecht. Tijdens het eten raken we aan de praat met een aantal Birmese jongens en als we ze later op straat weer tegenkomen krijgen we een lift aangeboden in hun fancy wagen met als argument ‘that’s how we show our culture’. Een super start van mooi Myanmar.
De dag daarna huren we een motorbike en gaan we de omgeving van Mandalay verkennen. Ook nu weer komen we de vriendelijke bevolking tegen want we worden uitgenodigd voor een bakkie thee als de motorbike van Rob en Kylie tot twee keer toe een lekke band heeft. Zo raken we aan de praat met een man die aangeeft dat het voor Myanmar alleen maar goed is dat ze zich openstellen naar de buitenwereld en dat ze ook langzaamaan een democratie aan het worden zijn zodat de bevolking openlijk kan zeggen wat ze willen, denken en voelen.
Het enige waar we nog niet echt aan kunnen wennen is het soort pruimtabak waar de mannen hier massaal op kauwen. Om je heen hoor je constant het spugen van het rode goedje op de grond en her en der zie je het bewijs nog glansrijk op de grond liggen. Maar ach, als dat het enige negatieve aan dit land is…
Tempels in Bagan
In rap tempo bussen we door naar datgeen waar Myanmar (voor zover het al bekend is) bekend om is: meer dan 3000 tempels die Bagan rijk is. Op een ebike verkennen we een volle dag de tempels  die dateren uit de 11
e tot en met de 13e eeuw. Vaak zijn de tempels van veraf mooier dan van dichtbij maar het mooie is dat je bijna elke tempel kunt beklimmen (wellicht hebben de Birmezen daar met het toenemende toerisme over een aantal jaren wel spijt van).
Vanaf zo’n tempel heb je de mooiste uit- en vergezichten. Ondanks dat dit het meest toeristische van Myanmar zou moeten zijn kun je met gemak uren rondtuffen zonder een toerist te zien. Oneindig ver kun je kijken en telkens zie je een aantal pagodes of tempels boven de bomen uitsteken. Aan het einde van de dag pakken we wederom een moessonbui mee voordat we de tempels voor gezien houden.
Naast de tempels in Bagan bezoeken we ook Mount Popa; het spirituele Boeddhistische centrum van Myanmar voor de Birmezen maar voor ons vooral het trotseren van weer, wind, 777 traptreden en even zoveel apen *waarvan er één het echt heel nodig vond om zichzelf als rugzak op te werpen op Siets haar rug, met een hoop gegil tot gevolg* Een dagje Mount Popa betekende ook onze laatste dag samen met Rob en Kylie en na een goede maaltijd en een paar laatste biertjes nemen we afscheid van hen en reizen we de dag daarna samen verder richting het grote Inle Lake.
Leven op, rondom en in Inle Lake
Ook tijdens onze busrit naar het Inle meer merken we heel goed dat we in het moessonseizoen terecht zijn gekomen. Wanneer we langs de kant van de weg stoppen om te lunchen worden de eerste passen alweer in het tot aan de enkels reikende water gezet (en dit zou niet de laatste keer worden in Myanmar). Na uren tuffen met horten en stoten komen we aan bij het Inle Lake en zitten we in een super mooi hostel met eigen veranda.
Een boottochtje over het Inle Lake is een ‘must do’ maar wij skippen die de eerste dag als we twee gammele fietsen huren voor een luttele euro per fiets en gaan op weg naar de Red Mountain Estate; een wijngaard met mooi uitzicht op het meer en de omliggende dorpjes. Na de nodige wijntjes geproefd te hebben fietsen we door naar kleinere dorpjes waar we wederom de waanzinnig vriendelijke bevolking tegenkomen. Hier wordt de rijstoogst nog met de hand van het veld afgehaald en de trishaw’s vervoeren hier vaker varkens, geiten of koeien in plaats van mensen. Als we ’s avonds bij een lokaal tentje eten en we de lieve eigenaren fooi geven krijgen we wel 10x een dankwoord toegeworpen. De puurheid van de mensen straalt er aan alle kanten nog vanaf.
De volgende dag hebben we mazzel en heeft het zowaar de hele dag eens niet geregend maar werden we op het Inle Lake getrakteerd op zon (om vervolgens net zo hard te verbranden door diezelfde zon). Inle Lake is vooral (voor Birmese begrippen dan) toeristisch maar doordat wij al heel vroeg vertrekken met ons longtailbootje ontsnappen we hier op de lokale markt gelukkig aan en zien we hoe vrouwtjes uit allerlei kleine dorpjes naar de ochtendmarkt komen om hier met hun mandje en boodschappenlijstje alle verse ingrediënten in te slaan voor het eten later die dag.
Je hebt voor dit soort marktjes vaak wel een ietwat sterkere maag nodig dan de gemiddelde mens want verwacht hier niet dat de kip al gefileerd en voorverpakt op de toonbank ligt. U wilt 200 gram kip of misschien toch een klein stukje borst en poot? Geen probleem, met drie ferme slagen van de bijl is het geregeld hoor. En als u nog levende vis wilt dan kunt u gewoon in de rij aansluiten bij mijn buurvrouw.
Als we verder varen passeren we tientallen drijvende dorpjes waar we de dagelijkse gang zien op en rondom het water. Kinderen poetsen hun tanden in hetzelfde water als waar moeder de kleren in wast, vader de boot in repareert of oma haar behoefte net gedaan heeft. Ongelofelijk dat mensen op die manier kunnen leven en één zijn met al het water om hen heen. Ook zien we nog een aantal traditionele vissers die met behulp van grote netten de vangst binnen proberen te halen. Aan efficiëntie geen gebrek en daarnaast levert het voor de toerist ook nog eens mooie plaatjes op..
Na twee volle dagen nemen we afscheid van het Inle meer en gaan we ons opmaken voor een werkelijk waar ijskoude nacht in een nachtbus die ons richting de Golden Rock en Hpa-an zal brengen in het zuiden.

Golden Rock(ing) on heavens door
Met dank aan de enige Fransoos in onze bus stapten we tegen het einde van de nacht uit in een nietszeggend plaatsje om van daaruit met nog een bus en een trishaw aan te komen in het dorpje aan de voet van de Golden Rock oftwel Mount Kyaiktiyo. Vervolgens werden we als vee in een veewagen gehesen (lees: achter in een megatruck met 40 anderen op een houten bankje) en gingen we al hobbelend en stotend de steile berg op. Het weer zat even niet mee waardoor we op de top de gouden rots eigenlijk amper konden zien.
De gouden rots is een bedevaartsoord voor Boeddhistische pelgrims en schijnt te balanceren op een haar van Buddha. Vrouwen zijn niet toegestaan bij de gouden rots maar mogen wel op een afstandje toekijken, soms is het zo openhartige boeddhisme niet altijd te volgen maar goed, we schikken ons als vrouw maar in ons lot.
Hop on Hpa-an
Dezelfde dag als dat we de nachtbus pakten en een bezoek brachten aan de gouden rots crossen we vrolijk verder op een stoeltje in het midden van de overvolle bus richting het onbekende Hpa-an. En dat wij voor Hpa-an ook onbekend zijn is de afgelopen dagen wel gebleken. Het dorpje kent precies 2 hostels en 3 hotels en mensen staren je werkelijk waar aan alsof ze voor het eerst een toerist zien (wat misschien nog wel echt zo is ook).
Ook in Hpa-an huren we weer een motorbike en verkennen we de omgeving met haar mooie karstgebergten. Als we ingehaald worden door een andere motorbike die nogal overenthousiast begint te roepen, kijken we eerst over onze schouder om te zien tegen wie deze persoon het heeft. Als we zien dat er niemand achter ons rijdt beseffen we pas dat die persoon gewoon blij was om ons te zien. Ongeveer elke voorbijganger begroet ons met een vrolijk ‘Minglaba’ en lacht zijn rotte, rode tanden bloot als we ‘Minglaba’ terug roepen of zwaaien. Wat een geweldige bevolking hier in Myanmar!
Als we onze laatste busrit in dit land pakken beseffen we pas dat we best geluk hebben gehad nog te kunnen vertrekken uit Hpa-an. Toen we de dag daarvoor de bus wilden boeken zei het vrouwtje van het hostel dat ze even moest checken of de bus wel ging. Nu kijken we daar niet zo van op in Azië maar wel de reden waarom; er bestond namelijk een reële kans dat de weg onbegaanbaar geworden was door de hevige regenval van de afgelopen weken. De bus vertrok ‘gewoon’ maar de schade werd onderweg pijnlijk duidelijk: onze bus stond een aantal keren tot boven aan de wielen in het water, huizen stonden onder water waarvan je alleen het dak nog kon zien en in Yangon collecteerden mensen massaal langs de weg voor de slachtoffers van de vele overstromingen in heel Myanmar. 
Veelzijdig Yangon
Onze laatste halte in Myanmar is meteen de drukste; de voormalige hoofdstad Yangon. Wat een hectiek! We verblijven in een super fijn en mooi hostel midden in de Indiase buurt. Twee dagen lang bezoeken we kleurrijk en veelzijdig Yangon waarbij we als hoogtepunt na een hele dag wandelen de Shwedagon Paya bezoeken. Deze tempel is verguld met goud en is vanuit bijna elke hoek in Yangon te zien.
Voordat we de tempel binnen mogen komen er nog de nodige Birmese handen aan te pas om Gijs ‘passende kledij’ aan te meten. Korte broeken en hemdjes mogen niet en dat snappen we maar de Birmezen hebben het eigenlijk ook niet zo op Gijs zijn borsthaar. Of hij dat niet ‘even weg kan werken’, maar ja, Gijs had net geen schaar bij zich. Na een geleende rok en de omgeslagen sjaal van Siets mogen we toch naar binnen en daar knalt het bladgoud je aan alle kanten tegemoet.
De grootste stupa bevat zelfs een top die is ingelegd met 5448 diamanten, 2317 robijnen en om het af te maken een grote 76-karaats diamant. Het hele complex is 46 hectare groot en vanuit alle kanten wordt het verhaal van Buddha verteld en weergegeven. Om ons heen zien we verschillende Birmezen maar ook monniken hun gebed uitoefenen en het geheel heeft iets magisch.
Wij zegenen ons door bij een van de twaalf buddha’s water over die buddha heen te sprenkelen. Dit doe je niet zomaar bij een buddha maar je doet dit bij de buddha die de dag waarop jij geboren bent weergeeft. Om deze gezegende (jubileum)dag af te sluiten gaan we eten bij een Indiër en krijgen we de lekkerste masala’s en aloo ghobi’s voorgeschoteld.
De laatste dag sluiten we heel relaxed af met de Circle Line trein; een trein die in een luttele drie uur een rondje om Yangon maakt en waarmee je een diverse kijk in het dagelijks leven van de inwoners krijgt. De rest van de dag chillen we bij een café en zien we het echte handelsbloed van de Birmezen naar boven komen als ze hun koopwaar aan de local maar ook de toerist proberen te slijten.
Morgenvroeg maken we ons op voor twee vluchten die ons naar Java zullen brengen. Op naar een nieuw avontuur (en hopelijk wat meer zon) maar daarmee willen we Myanmar absoluut niet tekort doen. We hebben het al vaker gezegd; wat een prachtig land, de meest vriendelijke en oprechte mensen van Azië en wat heeft dit land je veel te bieden. We weten dat dit niet onopgemerkt zal blijven maar we hopen met heel ons hart dat de (wellicht massale toestroom van) toeristen het land ook op waarde kunnen en blijven schatten zodat ze het land niet zullen veranderen in één groot vakantieresort. Wij gaan eens kijken of Indonesië ook nog steeds puur is of dat we ons de komende 2,5 week wanen in één van die typische vakantieresorts…

From Russia with love

Een citytrip maar dan net even naar een andere stad dan waar de ‘gewone burger’ naar toe zou vliegen. Wordt het Lissabon of Madrid? Uiteindelijk besloten een totaal andere richting uit te gaan en het werd Moskou. De afgelopen dagen hebben we in Rusland gezeten en Moskou met haar imposante gebouwen maar ook grilligheden ontdekt. Normaal gesproken zouden we over een korte citytrip niets bloggen maar omdat we jullie toch een kijkje willen geven in de Russische keuken hierbij een kort verslag.

Aangekomen in Moskou na twee korte vluchten met Germanwings gingen we op zoek naar het appartement van onze Airbnb-host Yulia met haar schattige dochtertje van vier. Na even zoeken (Russisch lezen na precies een half uur in het land is lastiger dan gedacht) vinden we haar appartement op de achtste verdieping van een voormalig flatgebouw waar ooit de Duitsers in gehuisvest waren tijdens WOII. Yulia is een ontzettend gastvrije vrouw die ons meteen wegwijs maakt in het grote Moskou. We zitten bijna in hartje centrum en de komende dagen doen we bijna alles te voet.
De volgende ochtend neemt Yulia ons mee richting het Kremlin via een schitterende basiliek. Bij het Kremlin aangekomen gaan we op zoek naar de president die we natuurlijk niet vinden. Het Kremlin is een gigantisch complex met daarbinnen niet alleen de regering en de Senaat van Rusland maar ook verschillende kathedralen. Uren lopen we hier rond voordat we via het standbeeld van Stalin uitkomen op het Rode Plein met de St. Basil’s Cathedral. Helaas voor ons kunnen we het Rode Plein niet op omdat alle voorbereidingen voor ‘Victory Day’ (9 mei) in volle gang zijn. De Russen vieren niet zoals wij Bevrijdingsdag maar zij vieren de dag dat ze de overwinning behaalden op het Duitsland van Hitler.
Het Rode Plein was oorspronkelijk een marktplein voor kooplieden maar is ten tijde van Stalin (die bijna alle historische gebouwen heeft laten slopen rondom het Rode Plein) veranderd in een plein waar vooral ceremonies en parades gehouden werden. De naam Rode Plein heeft niets te maken met het communisme maar blijkbaar betekent ‘rood’ in het Russisch ook ‘mooi’ dus in dit geval is het ‘Mooie Plein’ een betere benaming. Poetin heeft voor Victory Day maar liefst 16.000 soldaten en nog een behoorlijk handjevol studenten uit laten rukken voor de grootste parade ooit. Naast imposant was het zeker ook een knap staaltje machtsvertoon en of we het daar nou mee eens zijn laten we in het midden..
De avonden spenderen we in de Arbat-straat en hier zien we hoe het socialisme zijn werk doet: terwijl wij zitten te eten in een klein en knus restaurant zien we buiten op straat verschillende straatmuzikanten die allemaal voorzien worden van de nodige Roebels door omstanders. Op die manier zorgen de Russen voor elkaar omdat Poetin dit volgens onze gastvrouw niet doet. Yulia heeft sowieso een erg uitgesproken mening over de huidige Russische regering maar ze weet die mening alleen binnenshuis te ventileren omdat, als ze dat buitenshuis zou doen, ze zou weten welke gevolgen dit zou hebben…
Een kleine opsomming: elke nieuwe president zet de geschiedenis naar zijn eigen hand; zo verdraait Poetin de feiten waardoor deze alleen gunstig voor hem uitpakken, iedereen die tegen Poetin is wordt vakkundig ‘de mond gesnoerd’, Poetin vult op dit moment vooral de zakken van de rijken en niet van de armen *het tegenovergestelde dus van Robin Hood die stal van de rijken en het gaf aan de armen* en hij schroeft de belastingen zo hoog op dat ze voor een normale Rus bijna niet te betalen zijn. Voor ons voelt vrijheid heel normaal maar een paar dagen in Rusland en we kijken hier totaal anders tegenaan. Bevrijdingsdag krijgt bij ons ineens een dubbele lading: ons eigen Nederland is gewoon zo ontzettend mooi en vooral zo fijn vrij!
De andere dagen wandelen we heel veel in Moskou en bezoeken we een park dat Roman Abramovich in elkaar geknutseld (zeg maar gefinancierd) heeft, lopen we nogmaals langs het Rode Plein, bezoeken we het wereldberoemde Bolshoi Theater en eten we heerlijk Oekraïens bij een typisch en authentiek restaurantje waar het personeel in traditionele klederdracht loopt.
Op vrijdagmiddag is het dan weer zover en na 4 dagen Moskou zijn we ergens ook wel weer heel blij naar ons eigen land terug te kunnen keren. Een land waar je mag zijn wie je wilt zijn, waar je mag zeggen wat je wilt zeggen en waar iedereen gelijk is. Toch kijken we met een fijn gevoel terug op de citytrip Moskou maar we hopen echt dat de bevolking het ooit voor elkaar krijgt om onder de harde hand van Poetin uit te komen. En tot die tijd…. Koesteren we ons eigen landje des te meer… Tot in juli!

Guats'up Guatemala?

Het was even schakelen om standje relaxed uit te schakelen toen we samen met de Britse zusjes Joanne en Clare, de Amerikaanse Eric met zijn aanstekelijke lach en de aparte Zwitser Markus, Belize verlieten en in een gammele bus richting de grens van Guatemala reden. Caye Caulker had ons met zijn 'go slow' in zijn greep maar we ontkwamen er toch deels aan in het mooie en ontzettend veelzijdige Guatemala en El Salvador. 

Tempels in Tikal
Met hetzelfde clubje staan we 's morgens om 4 uur (!) op om naar de Mayatempels van Tikal te gaan midden in de jungle. Een schappelijke tijd om een kijkje in de organisatorische keuken van Guatemala te krijgen: drie busjes met te veel mensen betekent allereerst een aantal toeristen op een omgekeerde emmer in een minibus en vervolgens de volgepakte busjes een uur laten wachten voordat we de 70km naar Tikal gingen afleggen. Toch heerlijk dat je daarvoor zo vroeg opstaat maar weer een staaltje 'aanpassen aan de nieuwe cultuur' voor ons.
Aangekomen bij Tikal, één van de grootste Maya-complexen, lopen we in dik drie uur het gigantische complex rond. We beklimmen Tempel IV en krijgen een prachtig uitzicht over het hele complex en de jungle. Doordat we vrij vroeg zijn én het complex zo groot is lijkt het bijna alsof we hier alleen met ons zessen zijn. Naast de tempels zien we ook het nationale symbool van Guatemala voorbij vliegen *de tucan* en gieren we om alle hysterisch grappige opmerkingen die vooral Joanne maakt tijdens ons tripje door Tikal.
’s Avonds eten we met zijn allen bij een straatstalletje aan het water in het gezellige dorpje Flores en nadat we nog een paar borrels genomen hebben in de bar van het hostel nemen we afscheid van ons clubje en duiken we onze airco-kamer in (‘maar’ 5 weken reizen heeft zo ook zijn luxe voordelen).
Welcome to the jungle
Vanuit Flores bussen we rustig verder naar de jungle van Guatemala, gelegen in het uiterste oosten op de grens met Belize. Vanuit Rio Dulce pakken we een lancha (gammel bootje) naar een plekje halverwege de rivier en midden in de jungle: Finca Tatin. Een schot in de roos want wat een rust *je hoort alleen het geluid van de ontelbare beesten en beestjes die de jungle rijk is* en een prachtige cabana hebben we aan de rivier. Hier gaan we even totaal onthaasten en doen we even een paar dagen helemaal niks. Je gaat hier echt back to basic want elektriciteit is er alleen ’s avonds tussen 6 en 10, vervoer is er één keer per dag wanneer een lancha toevallig passeert en als je wilt kun je ook hier een yoga- of Maya massagecursus volgen. ’s Avonds eten we als een echte familie met alle hostelgangers aan een grote tafel en is het eten wat de pot schaft; heerlijk!
De dagen bij Finca Tatin *aanrader voor iedereen die naar Guatemala en de jungle wil* razen in recordtempo voorbij ook al doen we niet veel meer dan hangmatje hangen, boekje lezen en een duik nemen in de rivier. Eén ochtend pakken we een kayak en peddelen we de Rio Dulce op om zo te zien hoe de locals hun gangetje gaan op en rondom het water en in de jungle. We ontmoeten ook hier weer hele lieve mensen waar we een aantal dagen mee optrekken en met een beetje pijn in het hart (wat bestaat de wereld toch uit heeeeel veel mooie plekjes) nemen we ook hier weer afscheid van een stukje puur natuur en geweldige gastvrijheid. We maken ons op voor een lange tocht vanuit de jungle, via het zuiden van Guatemala en de hoofdstad van El Salvador, San Salvador, naar het kustplaatsje El Tunco in het zuiden van El Salvador.
El Surfador
El Salvador, een landje dat nauwelijks te vinden is op de kaart, en waarvan veel mensen zeggen dat het daarnaast ook een gevaarlijk land is om te bereizen maar daar hebben wij niet zo heel veel van gemerkt. Zeg je El Salvador dan zeg je chickenbussen (bussen afgeladen vol mensen) maar voor ons ook vooral leuke mensen en een echt surfersland.
In El Tunco, een dorpje aan de Pacific, hebben we vier dagen gezeten in de hoop hier de geleerde surfkunsten in Peru te kunnen toepassen. Op het moment dat we het strand oplopen en de golven zien is het wel even schrikken maar we snappen meteen waarom zelfs de Australiërs in grote getalen naar dit plaatsje komen want de golven zijn behoorlijk!
De eerste dagen mogen we het water dan ook niet in omdat de golven zo’n 3 tot 4 meter hoog zijn. Iets teveel van het goede voor ons als niet al te ervaren surfers. De twee dagen daarna zijn de golven bij eb iets minder hoog *maar nog wel behoorlijk sterk* en krijgen we eerst weer een uurtje les voordat we het zelf proberen. Oké, Billabong of Quiksilver zullen ons nog steeds niet bellen maar het gaat wel steeds beter en de kick is hier misschien nog wel groter als je op zo’n grote golf kunt blijven staan. Toch ontkomen we ook niet aan het hoesten en proesten maar het is wel gaaf om een paar uur in het water te liggen en te proberen de ene na de andere golf te pakken te krijgen. 
Chickenbus, Chichi en chillen aan het meer
Wanneer we weer terug zijn in Guatemala pakken we de lokale ‘chickenbus’ vanuit Antigua naar een bergdorpje. Ze noemen deze kleurrijke bussen zo omdat ze vroeger bedoeld waren voor de boeren die met hun kippen, geiten en verbouwde eten de bus instapten *al zou je het ook kunnen gebruiken voor het feit dat je echt als kippen op een hoopje in de bus zit*.
En in zo’n chickenbus zorgt een halve seconde onoplettendheid en een hoop hectiek bij het overstappen ervoor dat we de laatste week zonder camera verder moeten. Het
vrouwtje was zo gehaaid dat ze onze tas opensneed en de camera (met de foto’s van de 2e dag surfen) en onze portemonnee eruit haalde. Balen en dat op Gijs zijn verjaardag! Gijs viert over het algemeen op een behoorlijk spectaculaire manier zijn verjaardag en ook deze keer kan hij een ritje in een politiewagen bijschrijven, al hadden we dat natuurlijk met alle liefde niet gehad. Wanneer het politierapport in zeventienvoud is opgemaakt maken wij ons op voor de bekendste markt van Guatemala in Chichicastenango (mooi woord voor Galgje).
Deze markt vindt zowel op de zondag als de donderdag plaats en is in eerste plaats bedoeld voor de locals die hier vanuit allerlei piepkleine bergdorpjes hun spullen komen verhandelen. Toch kun je er als toerist ook goed je slag slaan omdat de locals ook wel snappen dat er geld te halen valt bij de toeristen. En ja, wij hebben ook wat geld bij ze achter gelaten door wat typische spullen uit Guatemala te kopen. Tegen de middag wordt die markt echt zo druk dat we een bus pakken die ons naar het bekendste meer van Guatemala brengt: Lago Atitlan. 
The Ring of Fire
Lago Atitlan is een groot kratermeer ontstaan door gigantische vulkaanuitbarstingen duizenden jaren geleden. De laatste 20 jaar is het waterpeil van dit meer 26 meter gestegen en de komende jaren zal dit niet minder worden. Bij dit meer ontmoeten we Clare, Joanne en Eric weer en chillen we met ze. We meenden wel een duik in het water te kunnen nemen maar na verhalen over blauwalg en verschillende ziektes hebben we het maar gelaten.
Toch hebben we niet helemaal standje relaxed aanstaan want één dag staan we weer belachelijk vroeg op om de San Pedro vulkaan te gaan beklimmen; een vulkaan die allang niet meer actief *maar daardoor juist gevaarlijk* is. In drie uur bikkelen we ons omhoog (we wisten toch allang dat we geen berggeiten waren? Waarom dan toch weer zo’n steile berg op!?) en onderweg kunnen we beetje bij beetje wel genieten van de mooie vergezichten. De San Pedro vulkaan staat bekend om haar schitterende uitzicht vanaf de top. Wat denk je? Na zoveel uur bikkelen blijkt dat er soms gewoon met Moeder Natuur niet te spotten valt want kom je compleet bezweet op de top aan, is de hele omgeving in dikke wolken gehuld…
De dag daarna kunnen we bijna niet fatsoenlijk lopen van de spierpijn maar deze vulkaan zou een goede opwarmer zijn voor de andere vulkaan die we willen beklimmen in de buurt van Antigua: Acatenengo (3975m). Helaas (of misschien gelukkig) gaat dit niet door omdat ook Siets niet ontkomt aan het ziek zijn, daarom besluiten we op onze laatste dag de Pacaya-vulkaan te beklimmen. Een relatief makkelijke klim in plaats van twee dagen afzien met volle bepakking. De Pacaya-vulkaan is in 2010 voor het laatst uitgebarsten en onderweg zien we overal het gestolde lava liggen.
Tot de top kunnen we niet komen omdat de vulkaan nog steeds rookt maar net onderaan de top is het ook wel duidelijk hoe heftig die uitbarsting geweest is. Toppunt van de dag is dat het lava nog zo warm is dat we marshmallows kunnen roosteren door een stok tussen de lavabrokken te duwen! Tijdens onze reizen hadden we al best wat vulkanen gezien maar echt tussen het lava doorlopen hadden we nog niet gedaan; GAAF!
Tussen het beklimmen van de vulkanen door ontdekken we de mooie *misschien wel mooiste stad van Centraal-Amerika* koloniale stad Antigua. Hoogbouw kennen ze nog niet in Antigua, evenals fatsoenlijk geplaveide straten maar daardoor heeft het juist wel die mooie uitstraling. Een heerlijke afsluiting van vijf fijne en schitterende weken reizen door Centraal-Amerika.
Morgenvroeg zullen we via Miami terugreizen naar het vertrouwde Nederland en kijken we terug op een mooie en afwisselende reis met veel hoogtepunten waarbij Guatemala absoluut de topper is gebleken. Voor ons kan het uitkijken naar de vakantie van volgend jaar beginnen en in 2015 zal (als het goed is) Azië weer op het programma staan in de vorm van Myanmar en Indonesië. ¡Hasta pronto! 

* Dit zijn de foto’s van Guatemala, hierbij de link voor de foto’s van El Salvador en voor het laatste deel van Guatemala klik je hier.

The Last continent

Het moment dat we voet op Mexicaanse bodem zetten gaat gepaard met een klein juichmomentje: het zevende en laatste continent is bereikt! Op je 30e (in Gijs zijn geval dan) kunnen zeggen dat je alle zeven continenten ter wereld bereisd hebt is toch wel een dingetje. Het is tevens het begin van 5 weken reizen door Centraal-Amerika waar we beginnen in klein Amerika: Playa del Carmen.

Amerikaanse enclave in Mexico 
Als we de dag daarop over 5th Avenue lopen in Playa del Carmen voelen we ons echt in Amerika en niet in Mexico; allemaal Amerikanen die met bandjes om de arm lopen van verschillende resorts en dan het ene nog groter dan het andere. Playa is een prima beginpunt van onze reis omdat ons hostel aan het strand ligt en we om de zoveel minuten een duik kunnen nemen in het helderblauwe water. Verder is het toeristische duidelijk niet echt ons ding en gaan we snel genoeg naar Tulum waar we de eerste Maya-ruïnes bezoeken. De ruïnes van Tulum zijn de enige die direct aan het water liggen waardoor je een gaaf uitzicht hebt over de Caribische Zee. De hordes toeristen denken we er voor het gemak maar even niet bij maar dat wisten we van tevoren als je naar Yucatan gaat, het meest toeristische deel van Mexico.
Haaaaaaai 
Vorig jaar in Mozambique lukte het ons door te sterke wind niet maar dit jaar gingen we voor de herkansing: zwemmen met walvishaaien in de buurt van een heerlijk eiland, Isla Mujeres. We slapen in het Pocna Hostel; een relaxed hostel met een eigen strand vol hangmatten en ’s avonds de nodige entertainment. Isla Mujeres (vrouweneiland) is maar een klein eiland waardoor je het wandelend met gemak rond kunt en is in veel opzichten al minder toeristisch; het strand is minder overbevolkt, er liggen geen boeien in het water ter afbakening van het zwemgedeelte en we zien meer en meer locals in plaats van toeristen. Wat ons opvalt is dat de Mexicanen misschien wel het meest vriendelijke volk zijn dat we tot nu toe tegen zijn gekomen. Ze roepen op elke straathoek ‘Hola’ of ‘Buenas dias’ en willen graag een praatje met je maken. Wat een vrolijkheid en vriendelijkheid! Maar waarvoor we naar Isla Mujeres zijn gekomen heeft maar één doel: de whale sharks.
’s Morgens vroeg vertrekken we met een Mexicaanse familie, twee gezellige Engelse meiden en twee arrogante Israëlische meiden op weg naar de plek waar de whale sharks moeten zitten; zo’n dik uur varen uit de kust. Hadden we tijdens al onze andere reizen best wel zeebenen, deze keer bleek dat dus echt niet zo te zijn. Allebei hebben we een aantal keren de visjes extra eten gegeven maar gelukkig gaat dat gevoel redelijk snel over als je in het water ligt. Rondom onze boot zie je de immense beesten al zwemmen en dan denk je wel even ‘moet ik daar zometeen écht tussen zwemmen?’
Samen met een gids ga je met zijn tweeën het water in en zwem je echt rakelings boven of naast die gi-gan-ti-sche beesten! Van een baby van ‘maar’ 4 meter tot een behoorlijk grote volwassen whale shark van 18 meter, we hebben zo dicht in de buurt van ze gezwommen dat we ze aan konden raken. Wat een GIGA kick was dat zeg!! Dan vergeet je het feit dat je jezelf hondsberoerd voelt door de zeeziekte meteen. Je voelt je zo ontzettend klein want als je weet dat hun bek alleen al 1,5 meter breed is en hun kieuwen net zo groot zijn als je zelf bent dan ben je behoorlijk nietig naast zo’n gigant. Toch voelt het super relaxed om met die beesten in het water te liggen omdat zij zich blijkbaar niks van ons aantrekken. Wat een hoogtepunt van onze reis, nu al…
Maya dat zei ik toch? 
Na een aantal heerlijk relaxte dagen bussen we verder naar het niet toeristische stadje Valladolid waar we midden in het centrum in een super hostel terecht komen met eigen tuintje en een heerlijke sfeer. Vanuit hier verkennen we in een aantal dagen de omgeving van Valladolid met de nodige Maya-ruïnes. We beginnen bij het midden in de jungle gelegen Ek Balam en vanaf één van de overblijfselen van Ek Balam hebben we een schitterend uitzicht over de jungle en de Maya-ruïnes. Heerlijk om weer eens ergens te lopen waar je geen hordes toeristen ziet.
Die hordes toeristen zijn er natuurlijk wel bij één van de zeven wereldwonderen: Chitchén Itza, waar we de volgende dag naartoe bussen. Gelukkig komen de hordes (en ook echt hordes) toeristen pas rond het middaguur en zijn wij er ’s morgens al heel vroeg waardoor we het hele complex bijna voor onszelf hebben. Chitchén Itza is bij de meesten misschien bekend als het centrum van de Maya-kalender waarbij het hoofdgebouw ‘El Castillo’ centraal staat. Dit gebouw bestaat aan elke kant uit 91 treden en de hoofdingang heeft er één meer waardoor het totaal uitkomt op 365 treden. Die 365 treden geven de jaarkalender weer.
Elk jaar tijdens de lente en herfst equinoxen *hierbij staat de zon loodrecht boven de evenaar* zie je onder aan de trap het hoofd van de slang en als je dan aan de zijkant van El Castillo staat zie je dat precies op het tijdstip van die equinox er een hele slang ontstaat. Knap staaltje werk van de Maya’s en daar blijft het niet bij. Als je recht voor het gebouw staat en je klapt wordt het geluid op een hele aparte manier weerkaatst. Over het hele terrein hebben de Maya’s allemaal van dit soort kunstjes uitgehaald en dat in die tijd. Dik drie uur lopen we hier rond voordat het zwart ziet van de toeristen en we de bus terugpakken naar het rustige Valladolid met al haar brede straten en beschilderde huizen. Chichén Itza; toeristisch maar erg indrukwekkend..
Tussen de Mayacultuur door bezoeken we, hoe Hollands, op een gammel fietsje ook nog een aantal cenotes. Het verhaal gaat dat één van die cenotes *soort van waterbassins, meestal onder de grond* ontdekt is doordat een varken ooit zo zwaar was dat die door de grond zakte en de oorspronkelijke bevolking er op die manier achter kwam dat er een heel grottenstelsel onder de grond zat. Of het waar is weten we niet maar het water was in ieder geval heerlijk verkoelend om in te zwemmen omdat de buitentemperatuur met gemak boven de 35 graden uitkomt. Via de mooie koloniale stad Merida bussen we in een dag door naar de grens van Mexico om zo een mooie tijd in Mexico af te sluiten en een tijdje heel laidback te gaan doen in het enige Engelstalige land van Centraal-Amerika: Belize. 
You better Belize it!
Vaak waren tijdens onze reizen de verschillen tussen landen goed merkbaar wanneer we de grens van het ene met het andere land passeerden maar zo duidelijk als het passeren van de grens tussen Mexico en Belize hebben we het nog niet vaak meegemaakt. We ruilen de luxe bus met airconditioning *oké, ook deze kan wel eens een klapband krijgen* om tegen een gammele, afgedankte Amerikaanse schoolbus met kapotte banken en rijden Belize in met haar hobbelwegen en krakkemikkige huisjes. Door de klapband van de bus missen we de boot en komen we in het grensstadje Corozal terecht dat echt een meltingpot is van culturen. Het doet zowel Mexicaans, Jamaicaans als Amerikaans aan en even geen Spaanse hap-snap zinnen voor ons maar gewoon Engels. Blij dat we de dag daarna naar het laidback eiland, Caye Caulker, vol rastafari's kunnen en waar iedereen je (al dan niet lallend) de woorden 'Go Slow' toeroept.
Caye Caulker is een echt backpackerseiland waar het leven zich overdag vooral afspeelt of op het water of op 'The Split': het einde van het eiland dat tijdens een hurricane het eiland in tweeën deelde. The Split is anders dan andere stranden die we gezien hebben want iedereen verzamelt zich hier op een soort van pier en begint vooral al vroeg te drinken met op de achtergrond reggae-muziek. Wij chillen hier de nodige dagen samen met Clare en Joanne (de twee Britse zusjes die we ontmoetten tijdens de whaleshark-tour en waar we nu in Guatemala nog steeds mee reizen), onze buurtjes Tiffany en Erica *iedereen op het eiland kende haar door haar niet afmetende enthousiasme* en de twee super grappige Amerikaanse broers James en Johnny. 's Avonds bezoeken we met hen de bar waar we de ene na de andere dronken rastafari tegenkomen.
Het gevaar van backpacken zonder plan is dat je dus te lang op dit eiland blijft hangen en dat gebeurde ons dus ook; de sfeer was er zo relaxed dat we niet meer weg wilden. Tijdens onze tijd op Caye Caulker hebben we niet alleen gechilled op het strand maar ook uren in het water gelegen. Eén dag gingen we met een tour mee met 'our brother from another mother' Caveman; een echte local met een klein bootje en ontzettend begaan met het koraal en alle dieren in de zee. Samen met Caveman zwommen we tussen de manatees (een soort van zeekoeien), schildpadden, pijlstaartroggen, nurse sharks maar ook door een scheepswrak. Wat een belevenis en hoe gaaf om uren rond te zwemmen in een groot aquarium.
The Blue Hole
Lang over gepraat en gedroomd en ook al was het een behoorlijke rib uit ons lijf, onder het mom van 'once in a lifetime' hebben we het toch gedaan: we zijn gaan snorkelen en duiken in de Blue Hole. De Blue Hole is zo'n 300 meter breed en meer dan 160 meter diep. Wat de Blue Hole nu zo anders maakt dan andere divespots is dat hier de zogenaamde sharkshower zit; een groot aantal haaien (van hammerhead tot reefsharks) dat de Blue Hole als permanente woonplaats heeft en zich op tig meter diepte voeden en wassen.
Daarnaast is de Blue Hole één van de weinige plaatsen waar je onder water de stalagtieten kunt zien al moet je daar wel voor naar een diepte van 30 meter en dat is wat Gijs gedaan heeft. Siets hield het iets meer aan de oppervlakte met snorkelen maar ook daar is genoeg te zien. Na drie duiken, oneindig veel vissen en met een grove kick van het duiken in de Blue Hole keren we na een volle dag op het water weer terug richting Caye Caulker.
De allerlaatste avond sluiten we af met een gezellig en gigantisch diner samen met alle leuke en lieve mensen die we op dit eiland ontmoet hebben. Weer een eilandje dat we in ons hart gesloten hebben en hopen dat we hier ooit nog eens terug mogen komen. Al is het alleen al om de mentaliteit, de heerlijke koffie's, de gezellige mensen en het mooie weer met prachtig uitzicht.

Inmiddels zitten we alweer in Guatemala maar de dingen die we hier beleven bewaren we nog even voor over drie weken tot het volgende verslag! Hasta luego and go slowwww...

* Klik hier voor de foto’s van Mexico en dit is de link voor de foto's van Belize...

Awesome Africa

De laatste 2,5 week van onze trip geen Drifterstruck, wake up calls om 4 uur ’s morgens, slapen op matjes die de naam matras niet mogen hebben en geen corveediensten meer. Voor het laatste deel van onze reis zijn we weer met zijn tweeën en reizen we door Mozambique en Zuid-Afrika. Die weken staan vooral in het teken van relaxen, veel dieren bekijken, nieuwe mensen ontmoeten en alle tegenstrijdigheden ondervinden die Afrika, vooral Zuid-Afrika, rijk is.

St(r)andje relaxed
Na een erg goede stapavond met de groep laat de Driftersclub ons achter in Vilankulos en reizen zij verder. Vanaf nu reizen we weer zoals vertrouwd met zijn tweetjes door het land. In Vilankulos zetten we de chill-modus aan en doen we niet zo heel veel. We hebben een erg mooi hostel aan het strand en we relaxen aan het zwembad.
Eén dag maken we een boottocht naar de Bazaruto Archipel; een groep bounty-eilanden waar we de duinen oplopen, snorkelen, verse barracuda eten en ons bijna alleen op de wereld wanen. Het is ook in Vilankulos waar we door de kokkin van het hostel uitgenodigd worden om bij haar thuis te komen eten. Natuurlijk gaan we op dit aanbod in en zo lopen we over verlaten zandweggetjes in de schemering naar haar kleine hutje waar we een gigantisch bord met garnalen en krab voorgeschoteld krijgen. We raken daar aan de praat met de locals en dat is juist één van de redenen waarom we uit de tour stapten; om dichter bij de locals te zijn en in dat opzicht zijn we in de eerste dagen al geslaagd.
Vanuit Vilankulos reizen we in no time door naar Tofo, een andere strandbestemming. We slapen hier in een rieten hutje net achter de duinen en als we op de top van de duin bij het restaurant staan zien we de humpback whales in de verte hun sprongen maken en stoom uitblazen. Tofo is dé bestemming om de whalesharks en levensgrote manta rays te spotten. Die manta rays kunnen een grootte van 6 meter bereiken en Gijs wil die wel eens in levende lijve gaan zien tijdens een duik.
Helaas gaat dit feestje voor ons niet door, zowel het snorkelen met de whalesharks als het duiken met de manta rays, omdat het te hard waait. Augustus staat bekend om haar windy month en dat is het duidelijk. Door deze wind heeft Gijs slechts 2 duiken kunnen maken en ging Siets mee op de boot om gratis zeeziek te worden van de golven die een hoogte bereikten van zo’n drie tot vier meter. Duidelijk geen zeebenen deze keer. Dan toch nog maar een keer terug naar Mozambique…
Die wildtuin van Suid-Afrika

De dag nadat we voor de tweede keer in Zuid-Afrika aangekomen zijn huren we een klein autootje en rijden we naar Blyde River Canyon. Een uitgestrekt gebied met mooie rotsformaties, uitzichten en leuke landweggetjes. Van een eenbaansweg maken de Zuid-Afrikaners met gemak een tweebaansweg maar dan wel in de positieve zin van het woord; met respect voor elkaar in het verkeer en elke keer een knipperlichtje of een handzwaai als we een auto inhalen. Met de Zuid-Afrikaanse 3FM op de achtergrond toeren we die dag zo’n 150 kilometer.
De echte reden waarvoor we een auto gehuurd hebben is dat we drie dagen rond gaan rijden door het Kruger Nationaal Park. De grootste en meest toegankelijke wildtuin *zoals de Zuid-Afrikaners het noemen* waar je grote kans hebt om de Big Five te spotten. Het park bestaat uit deels geasfalteerde en voor een groot deel uit onverharde wegen. Om en om rijden we die wegen op en af en het is op één van die onverharde wegen dat er ineens een neushoorn voor onze auto voorbij schiet. WAUW!! Nummer 4 van de bingo: de neushoorn, CHECK! Wat een gigantische beesten!
De neushoorn behoort tot één van de bedreigde diersoorten en dat komt hier niet door het ecosysteem maar door de stroperij van de mensen. We hebben de afgelopen weken al een aantal keren gruwelijke foto’s van afgeslachte neushoorns in de krant zien staan en je kunt het je gewoon niet voorstellen als je ze zo ziet. Naast de reusachtige neushoorn zien we op de eerste dag dat we in het Kruger zijn ook de andere van de Big Five die we nog misten: de leeuw! Big Five COMPLETED! En niet één: nee, er liggen er 12 (!) op de oever van de rivier en het lijkt wel of ze daar gewoon liggen te poseren voor ons.
Onze dag is al helemaal geslaagd! Tijdens de uren die we door het park rijden zien we ook de bijna normaal geworden dieren voorbij komen zoals de impala’s, kudu’s, bushbokken, zebra’s, krokodillen, giraffen, olifanten en de buffels. Het geeft gewoon een kick om met je kleine Fordje door het park te rijden *vaak helemaal alleen* en te weten dat een olifant die met gemak omduwt. De nachten slapen we ook in het park, de eerste nacht in luxe, de tweede weer wat basic. Je moet zorgen dat je voor zes uur ’s avonds bij de gate van het kamp bent want dan gaan de poorten op slot en krijg je een flinke boete wanneer je te laat bent.
De volgende dag zijn we net aan het rijden als we rechts van ons een giraf weg zien rennen. Meteen daarachteraan komen drie leeuwinnen. We zien dat de giraf zijn lange benen onder zijn kont uit rent om de leeuwen voor te blijven die duidelijk jacht op hem maken. Schitterend om de natuur zo aan het werk te zien. Deze tweede dag tikken we de hele Big Five nog een keer aan als we na de neushoorn en de leeuw ook de olifant, buffel en zelfs het luipaard nog een keer zien. Daarnaast zien we een dode impala hoog in de boom hangen en missen we de tweede luipaard op een haar. Wel zien we dus zijn pas gevangen prooi levenloos in een boom hangen.
Het Krugerpark is een echte aanrader voor iedereen die naar Zuid-Afrika gaat maar het is wel een stuk toeristischer dan South Luangwa in Zambia. Een gamedrive maken zoals we die in Zambia gedaan hebben voldoet hier niet echt omdat je al een grote kans hebt de beesten te zien. Wij zijn in ieder geval blij dat we beide parken bezocht hebben en kunnen zeggen dat de natuur in Afrika echt geweldig is. Artis is er absoluut niets bij…
Apartheid, Nelson Mandela en SOWETO

Aangekomen in Johannesburg, ook wel Joburg of Jozi genoemd, is het even schakelen; het is een stad die niet als al te veilig te boek staat maar als je de nodige maatregelen neemt dan is er niet veel aan de hand. Elke keer als je de straat op gaat gewoon een taxi nemen en niet in het donker gaan wandelen dan komt het helemaal goed. We laten ons in een veilige wijk van Joburg afzetten en zitten voor de laatste dagen weer in een prima hostel, inclusief zwembad en zelfs sauna.
Deze dagen zullen in het teken staan van de geschiedenis van Zuid-Afrika met al haar grilligheden en zullen we veel cultuur opsnuiven. We beginnen met een bezoek aan het Apartheid museum met een expositie van Nelson Mandela. Op 5 augustus was het namelijk precies 51 jaar geleden dat hij gevangen genomen werd. Wanneer we bij het museum aankomen laat de boodschap bij binnenkomst niets te raden over: ‘Apartheid is exactly where it belongs – in a museum’. Het basisprincipe van de apartheid was eenvoudig; segregeer alles! Oftewel: scheidt blank van zwart en houdt ze gescheiden. Het toegangskaartje is ook al zo typerend en je voelt je meteen ingedeeld in een bepaalde klasse.
Dat is wat het hele museum ons ook leert; de weg naar, tijdens en na de apartheid. Je krijgt echt een beetje een idee hoe de mensen geleefd hebben ten tijde van de apartheid. Het museum geeft heel veel informatie over het hoe en waarom Zuid-Afrika is zoals het nu is. Voor ons een geluk dat Madiba *de koosnaam van Nelson Mandela* dit jaar 95 is geworden waardoor er een extra expositie aan hem gewijd is. Voor ons was dit misschien nog wel het meest indrukwekkende van het hele museum.
Zijn karakter van volharding, moed, integriteit en de hoop op een Zuid-Afrika waarin zowel blank als zwart, Zulu’s als Afrikaners en Europeanen vreedzaam naast elkaar leven. De prijs die hij hiervoor betaalde *27 jaar in gevangenschap op Robbeneiland* is hoog maar een bewuste keuze: ‘Only free men can negotiate so that’s the reason why I refuse to compromise my political beliefs in exchange for freedom’. Een man die je maar op één manier kunt benaderen en dat is met grenzeloos respect. Zuid-Afrika is er nog lang niet maar hij heeft het land in ieder geval de goede richting uitgeholpen.
De wijk waar Nelson Mandela in zijn jonge jaren gewoond heeft bezoeken we de volgende dag; SOWETO, dat staat voor South West Township en is ontstaan ten tijde van de opkomst van de mijnindustrie en de apartheid. Het was dit deel van Joburg waar veel niet-blanken naar toe werden ‘verbannen’ om ze uit het centrum weg te houden maar ze nog wel dichtbij genoeg te houden om ze als werknemers te kunnen gebruiken. Inmiddels wonen er tussen de 3,5 en 4,5 miljoen mensen in Soweto en varieert dit township van heel armoedig tot behoorlijk rijk.
Onze privégids van die dag woont zelf in Alexandra, een ander township aan de andere kant van Joburg, en hij weet ons op een ongelofelijk bevlogen manier het nodige over de townships te vertellen. We beginnen in het rijke gedeelte, het Beverly Hills van Soweto en in tegenstelling tot de ‘goede’ blanke wijk waar wij zitten met het hostel zijn er hier geen hekken voor de huizen te bekennen, zitten er geen tralies voor de ramen en is er ook nergens prikkeldraad te zien. Je voelt je hier serieus vele malen veiliger dan in de rijke blanke wijken met de nodige voorzorgsmaatregelen. Eric vertelt ons dat de wijk zelf erg veilig is maar de criminelen die zich in Soweto bevinden hun slag ook niet slaan in Soweto zelf maar in andere wijken.
Tegenover Beverly Hills liggen de ‘hostels’; dit zijn éénkamerhutjes, ooit gebouwd voor de mannelijke mijnwerkers ten tijde van de apartheid maar nu wonen daar vooral gezinnen maar ook vind je hier de hitmen; de huurmoordenaars. Eric vertelt ons dat zij ingehuurd worden om voor veel geld mensen om te brengen; dit zijn vooral criminelen, rijken met een dubbelleven maar ook chauffeurs van minitaxi’s die weggeconcurreerd moeten worden.
Na Beverly Hills en de hostels rijden we verder naar het middenklasse gedeelte van Soweto; ze noemen dit de middenklasse, ondanks dat hier net zo goed arm naast rijk woont, omdat het vierkamerwoningen zijn die goedkoop van de overheid gehuurd konden worden. Toen Mandela president werd konden de mensen de huizen overkopen voor 15.000 Rand (ongeveer €1200) en dan konden ze doen en laten met het huis wat ze wilden. Zo zie je huizen die nog steeds bestaan uit een paar blokken beton maar je ziet ook huizen die aanzienlijk groter geworden zijn.
In dit middenklasse gedeelte bevindt zich ook Vilakazi Street, de enige straat ter wereld waar 2 Nobelprijswinnaars vlak bij elkaar woonden; Nelson Mandela en Desmond Tutu. We zien beide huizen op nog geen paar meter van elkaar. Vanuit Vilakazi Street is het een kleine stap naar het Hector Pieterson plein en meteen één van de meest indrukwekkende pleinen van onze trip.
Op 16 juni 1976 vond hier een gigantische demonstratie plaats door leerlingen van verschillende zwarte middelbare scholen in Soweto en omstreken. Zij protesteerden tegen het Afrikaans als voertaal op school. Voorheen *op de basisschool* werd dit niet onderwezen en nu moesten ze daar wel ineens in leren lezen, praten en schrijven. De bedoeling was om een demonstratie zonder geweld en op een vredelievende manier te houden om een statement te maken naar de regering maar de politie dacht hier anders over! Zij begonnen met het gooien van stenen dat snel overging in het spuiten van traangas en later het neerschieten van onschuldige leerlingen. Hector Pieterson, een 13-jarige jongen, staat symbool voor deze opstand omdat hij één van de eerste leerlingen was die werd neergeschoten en werd gedragen door een andere medeleerling bij wie Hector in de armen stierf. In totaal zijn er tijdens en na de demonstratie 600 onschuldige leerlingen gestorven…
We bezoeken het Hector Pieterson museum dat bewegende beelden, foto’s, ooggetuigenverslagen en krantenberichten laat zien van wat er rond die tijd gebeurde. Volgens onze gids is dit één van de demonstraties geweest die later geleid heeft tot de democratie van Zuid-Afrika.
Na dit indrukwekkende museum gaan we door naar de Regina Mundi kerk. De kerk die voor sommigen bekend staat als de kerk van Wie is de Mol 2013 maar voor ons staat die vanaf nu ook bekend als de Soweto Government. Na de gewelddadige demonstratie van 16 juni konden de jongeren nergens openlijk vergaderen of discussiëren over de apartheid maar in zwembaden en kerken kwamen de politieagenten niet. Daarom kozen ze de Regina Mundi kerk uit als vergaderplaats. In deze kerk zie je in glas en lood de demonstratie van de leerlingen, de stervende Hector Pieterson, de vrijlating van Mandela en de democratie van Zuid-Afrika afgebeeld.
We pakken nog een geweldig stukje kerkdienst, inclusief dansende Afrikanen, mee voordat we via de Orlando Towers *gigantische koeltorens die gebouwd waren om de blanken in de suburbs van stroom te voorzien. Ironisch genoeg stonden ze in Soweto* naar het echte arme gedeelte van Soweto gaan. Hier lopen we 20 minuten rond waar we een beeld krijgen hoe de armsten van Joburg wonen en leven zonder elektriciteit en stromend water. We geven een zak oude kleren aan een vrouwtje voor haar kinderen en delen ballonnen, toeters en stuiterballen uit aan de straatkinderen.
Dan is het na uren rondrijden door Soweto tijd om terug te gaan naar de ‘veiligheid’ die Kensington heet, maar wel met een totaal ander beeld van Soweto dan we van tevoren hadden. We zijn er echt achter gekomen dat het beeld dat wij van Soweto hadden als arme, gevaarlijke en uitzichtloze wijk van Johannesburg totaal verkeerd is en eerder opgelegd wordt door de media dan dat wij het zelf zo ervaren hebben. Een tour door Soweto kunnen we als één van de meest indrukwekkende bezoeken aan een sloppenwijk bestempelen en bij deze een aanrader voor iedereen.
Gisteravond hebben we Gijs zijn verjaardag afgesloten met een gigantische Afrikaanse braai met iedereen in het hostel en vanmiddag gaan we hoogstwaarschijnlijk nog naar het Soccer Stadium *daar waar Nederland in 2010 de WK-finale van Spanje verloor* om een wedstrijdje mee te pikken van de Kaiser Chiefs voordat we morgen in alle vroegte de reis naar Nederland gaan inzetten. Dan zitten onze vijf weken reizen door Zuidelijk Afrika er weer op en wat hebben we gigantisch veel gezien, beleefd en gelachen. Nu kan het vooruitkijken naar de vakantie van 2014 gaan beginnen. Waarnaartoe de reis zal gaan weten wij al maar we houden jullie nog even in spanning… Hakuna Matata!!

* En tot slot hebben jullie nog de foto’s van Mozambique en Zuid-Afrika van ons tegoed…

The Big Five Bingo

Afrika; een continent dat (zelfs) voor ons redelijk onbekend is. Er bestaan gigantisch veel vooroordelen maar geloof ons, die verdwijnen als sneeuw voor de zon *die zien ze hier ook niet snel maar goed* als je op welke manier dan ook een Afrikaans land binnenkomt. Wij reizen ook dit jaar weer een dikke vijf weken rond door een aantal landen. Te beginnen met Botswana, Zimbabwe, Zambia en Malawi. Op zoek naar de Big Five…

Bumpy Botswana
Wanneer we aankomen in Johannesburg worden we voor de verandering eens opgehaald en naar Drifters gebracht waar we onze groep voor de komende 2,5 week ontmoeten. Het is een geweldig gezellige groep met Denen, Noren, Brazilianen, Duitsers, Belgen en een Zwitser en dat onder leiding van de knettergekke ‘jiboo’ Louis oftewel Kudu. We settelen ons in de truck en meteen gaan we op weg naar de grens met Botswana. Onze ledematen zijn compleet door elkaar geschud want de wegen zijn verre van vlak en goed. Ook de afstanden hier zijn enorm en de eerste dag leggen we meer dan 950 kilometer af voordat we in centraal Botswana aankomen waar we de eerste nacht kamperen in de middle of nowhere. Voordat we daar aankomen zien we midden in het donker nog een aantal olifanten over de weg rennen en dan besef je dat het avontuur begonnen is en daarmee ook de Big Five Bingo. Nummer 1: de olifant, CHECK!
Misschien hebben velen van jullie je afgevraagd wat de Big Five is en waarom juist die dieren bij de Big Five horen. De Big Five bestaat uit de olifant, buffel, neushoorn, luipaard en de leeuw. Zij worden de Big Five genoemd omdat dit voor de mens de vijf gevaarlijkste dieren op het land zijn (wil natuurlijk niet zeggen dat wij een cursus springbok of krokodil knuffelen zullen gaan ondernemen, no worries).
De eerste nacht in ons tentje is koud maar als je ’s morgens net een paar minuten in de truck zit en de eerste olifanten op nog geen paar meter van de truck lopen dan ben je alles vergeten. Niet lang daarna zagen we ook de eerste giraffen, impala’s, zwijntjes en springbokken voorbij komen. Honderd keer bleven we ‘wauw’ roepen tegen elkaar en dat ‘wauw’-gevoel werd alleen nog maar sterker wanneer we in Chobe NP onze eerste gamedrive hadden. In een open truck rijden we 3 uur lang langs de Chobe-rivier waar we in het natuurlijke habitat van de dieren terecht komen. We zien een kudde olifanten de rivier oversteken, impala’s grazen, aapjes elkaar luizen, giraffes de bomen kaal eten, nijlpaarden relaxed in het water liggen samen met de krokodillen en ook zien we een kudde buffels *meer dan 100* aan hun grote trek beginnen. Nummer 2 van de bingo: de buffel, CHECK! En dit is pas dag 2 van de tour..
‘The smoke that thunders’
We hebben de vaart er goed in want binnen 2 dagen rijden we het volgende land van de trip binnen: Zimbabwe. De mensen in beide landen zijn zo ontzettend vriendelijk en daar waar we in het begin geen idee hadden wat we konden verwachten moeten we nu al zeggen: we zijn verliefd op Afrika. Een aantal stempels en visa later arriveren we bij de Victoria Falls op de grens van Zimbabwe en Zambia. Deze keer geen tent maar lekker in een lodge de komende dagen. De volgende dag besluiten we samen naar de Big Tree te wandelen; een Baobab-boom van meer dan 1500 jaar oud. Alleen; die boom ligt midden in het nationaal park. Op zich geen probleem behalve dat de dieren in Afrika écht in het wild lopen. We krijgen de nodige instructies mee dat wanneer we een olifant in het wild tegenkomen we langzaam achteruit weg moeten lopen… Oeps, willen we dit nog wel? In het begin onzeker maar later wat geruster wandelen we een dik uur door het park.
Olifanten zien we niet maar wel schieten de springbokken, impala’s en baboons (bavianen) de weg over. Het grappige in Victoria Falls is dat het ten strengste verboden is om na 5 uur nog lopend de straat op te gaan. Niet omdat het dorpje crimineel is maar omdat de olifanten en buffels dan de straat op gaan om eten te zoeken! Je ziet ook verschillende hekken doorgebroken bij huizen en dan weet je één ding; in de tuin stond een prima boom die als voer voor de olifant diende. Daarom is Afrika zo leuk!!
Na onze billenknijpende wandeling lopen we door naar hetgeen waarvoor we naar Victoria Falls gekomen waren; juist ja, de watervallen. Wat een hoogte en wat een geweld. Het zijn de hoogste watervallen ter wereld en er komen ook hier weer zwembaden tegelijk naar beneden. Ze noemen deze watervallen ‘the smoke that thunders’ omdat hier het gebulder zo overweldigend is maar daarnaast stijgt er van de watervallen een enorme wolk aan stoom op die zelfs op 48 kilometer afstand nog te zien is.
Trashing the camp
In razend tempo zitten we in het volgende land, Zambia; een land dat voor ons een highlight wordt tot nu toe maar ook een land dat één van de armste ter wereld is. Meiden krijgen gemiddeld op hun 15e een kind, 69% van de Zambianen leeft van minder dan $1 per dag en het gros van de kinderen gaat niet naar school. Het laat je even stilstaan bij wat je in Nederland hebt en we zeggen tig keer dat we hier zo’n goed werk zouden kunnen verrichten. Thuis maar eens zien hoe we dit in gaan vullen…. Eerst onze highlights en die bestaan uit drie dagen kanoën over de ‘mighty Zambezi’.
We hebben onze boot volgeladen met tenten, potten, pannen en eten als we de Zambezi op peddelen. Links en rechts passeren de nijlpaarden en krokodillen ons! Je hand in het water steken is aangeven dat je levensmoe bent en we krijgen de nodige instructies wat te doen als we in het water vallen. Een beetje onwennig in het begin dus. Twee nachten kamperen we in de middle of nowhere *dat is al snel in Afrika* en één nacht doen we dat op Elephant Bone Island; een eiland dat bewoond wordt door olifanten die ’s nachts doodleuk door je kamp heen kunnen wandelen. De naam komt van het gegeven dat wanneer een olifant sterft en er weken of maanden later een groep olifanten bij de overblijfselen aankomt zij knielen, de botten aanraken en dan weer verder gaan. Olifanten geven elkaar op die manier een eerbetoon. Mooi wereldje die dierenwereld.
De andere highlight is in South Luangwa NP, het grootste wildlife park van Afrika. Hier maken we drie gamedrives in een open truck waarbij we twee nachtdrives maken. Die nachtdrives geven namelijk de meeste kans op het spotten van dieren die alleen ’s nachts actief zijn. En op onze eerste nightdrive is het meteen raak; nummer 3 van de bingo, het luipaard.. CHECK! Wat een beesten!
Op nog geen meter afstand lopen ze langs onze jeep en dat geeft best wel een vet gevoel als je weet dat dit één van de snelste en gevaarlijkste beesten zijn. Tijdens deze drie safari’s zien we naast de luipaarden ook weer de olifanten, nijlpaarden, zebra’s, giraffen, buffels, water- en bushbokken en de lelijke hyena’s voorbij wandelen. Het is onbeschrijfelijk gaaf om te zien hoe de dieren in hun eigen habitat te werk gaan. We zien nijlpaarden ruziën met elkaar, een olifant een boom omver duwen en de baboons en impala’s gezellig naast elkaar grazen. De nachten zijn hier al even spectaculair omdat we midden in het park slapen en de leeuwen (die we helaas zelf nog niet gezien hebben), olifanten en nijlpaarden gewoon doodleuk rondom je tent banjeren ’s nachts. Naar de wc gaan wordt op die manier soms een onmogelijke opgave…
Malawi is het laatste land dat we aandoen voor dit reisverhaal en hier even geen dieren maar een village tour en het beklimmen van een berg. We hebben een indruk gekregen van het dagelijks leven van de Malawiërs en hebben gezien hoe ze leven, werken en wonen. De kinderen *gemiddeld 5 per gezin* lopen de hele dag op straat rond te zwerven en hier gaat echt het recht van de sterkste op. Schrijnend om te zien hoe uitzichtloos hun situaties soms is maar aan de andere kant zijn ze dolgelukkig met een ballon, toeter of gewoon jouw hand die ze een half uur vast mogen pakken. Toch tovert elk kind keer op keer een lach op zijn of haar gezicht en dat maakt Afrika, ondanks al haar moeilijkheden, zo’n ontzettend gastvrij continent.
Hoe gastvrij Mozambique en Zuid-Afrika zijn gaan we de komende drie weken bekijken. Nu eerst een caipirinha op het strand aan de Indische Oceaan in Vilankulos, Mozambique. CHAUCHAU!

* Klik hier voor de foto’s van Botswana, hier voor die van Zimbabwe, dit is de link voor Zambia en ten slotte zijn dit de foto’s van Malawi…

Wervelende Fili's

Met een behoorlijk hobbelige vlucht waarbij we halverwege ineens een vrije val van ruim 20 meter maakten door hevige turbulentie komen we na een dik uur vliegen in een voor ons nieuw land aan: de Filippijnen. Een land waar armoede en eenvoudig leven nog de boventoon voeren, oma's hun kleinkinderen opvoeden, bij elk huis de was buiten hangt te drogen en de rijstoogst op de vluchtstrook van de snelweg gelegd wordt.. We reizen een dikke week door het onwijs groene land met haar vriendelijke en oprechte bevolking.

Het land van de koppensnellers
Tegen het einde van de middag komen we in Manila aan en de stad komt op ons over als niet prettig en onveilig. Als we de bus uitstappen worden we meteen belaagd door zwervers en sjacheraars die onze tas uit de bus willen trekken. Snel springen we een taxi in en laten we ons afzetten bij een mini busterminal waar precies één bus per dag naar het niet toeristische *voor nu dan want het is laagseizoen* Banaue gaat. We stappen deze vrieskist in (de airco staat echt belachelijk hoog) en hobbelen in 10 uur naar het kleine bergdorpje dat bekend staat om haar rijstterrassen en de Ifugao-stam; de vroegere koppensnellers. Van de koppensnellers hebben we weinig gemerkt maar van de super vriendelijke bevolking des te meer.
Ons hostel kijkt uit over kleine bergdorpjes in de omgeving en de geweldig mooie rijstterrassen. We besluiten om de bergschoenen aan te trekken en richting deze bergdorpjes te lopen om zo van alle uitzichten te genieten. In deze bergdorpjes ontmoeten we de lieve Filippino's die ons vriendelijk en vrolijk aanspreken. We raken aan de praat met een oud omaatje die ons van alles verteld over haar cultuur. In de Filippijnen spreken ze naast Filippijns een mengelmoes van Engels en Spaans. Zo tellen ze in het Engels, lezen ze de klok in het Spaans en praten ze de drie talen constant door elkaar als ze tegen elkaar praten. Het onderwijs gaat steeds meer en meer in het Engels *zelfs in de kleinste bergdorpjes* en dat is enerzijds best vreemd omdat het een vroegere Spaanse kolonie geweest is.
Na de rijstterrassen maken we ons op voor een volgende hobbelige rit naar een ander bergdorpje, Sagada. We willen een jeepney pakken *een verlengde jeep met 2 lange banken tegenover elkaar* maar die blijken pas te rijden als ze vol zitten. En aangezien er, op ons na, niemand naar Sagada wil kan dit nog wel eens lang gaan duren. Dan maar liften bovenaan de berg! Gelukkig komt er na een tijdje een minivan die ons voor een paar euro mee wil nemen naar Bontoc. Vanuit daar pakken we wel een volle jeepney en komen we in het erg gezellige dorpje aan. We zijn naar Sagada gekomen voor een ietwat lugubere reden; Sagada staat bekend om haar hangende en opgestapelde doodskisten tegen en in rotswanden.
Sommige hangende doodskisten zijn al eeuwen oud en het was een voorrecht om na de dood in de kist opgehangen te worden. Dit voorrecht gold alleen voor de rijkeren en vaak waren het baby's en kinderen die tegen de rotswand aan gehangen werden. Na jaren rotten de touwen dan weg en valt de kist op de grond om zo weer door moeder aarde opgenomen te worden. In de grotten zien we verder ook de opgestapelde doodskisten *tot honderden boven op elkaar* en dit aanzien in de grot gaf ons een behoorlijk raar gevoel. Misschien zorgde het druilerige weer en de opkomende schemering voor een versterkend gevoel. De omgeving van Sagada is verder prachtig met de nevel die in de bergen hangt, de gezellige cafeetjes en gemoedelijke sfeer die het dorpje uitstraalt.
Toch verlaten we Sagada weer snel genoeg om door te bussen en via Baguio, dé studentenstad van de Filippijnen, waar de jeepneys je om de oren scheuren, naar Angeles City te reizen. We komen hier absoluut niet voor het toerisme *dat voornamelijk bestaat uit sekstoerisme en vergelijkbaar is met Pattaya en Phuket in Thailand* maar puur omdat we vanuit hier een dag later een vlucht naar het eiland Palawan nemen (bij deze toch maar een frequent flyer membership aangevraagd bij AirAsia; zo vaak als dat we deze vakantie met hen reizen). Alle hostels in Angeles zitten vol dus dan maar luxe in een resort met zwembad, ook niet verkeerd. 's Avonds eens een keer geen rijst maar heerlijk Mexicaans voordat we alle mannen in de barretjes alleen laten met de Filippijnse dames en in ons kingsize bed in slaap vallen.
Tyfoon in El Nido en de ommekeer...
Vanuit Puerto Princesa waar we bij een erg aardige Filippijnse familie thuis verblijven, nemen we een kamikaze minivan naar het afgelegen El Nido. Tijdens de rit krijgen we ineens een politiecontrole: ‘Do you have mango's with you?' ‘Uhhh, no.' ‘Okay, drive on..' Heel erg bizar (voor het zelfde geld hadden we een bom bij gehad maar daar waren ze niet in geïnteresseerd)! In El Nido zitten we in een schoon en relaxed pensionnetje aan het strand en vanaf minuut één komt El Nido heel relaxed op ons over. Hier kunnen we ons wel 10 dagen vermaken. Helaas gooit de heersende tyfoon die over de Filippijnen raast geregeld roet in het eten door als een dolle over ons heen te blazen en de nodige stevige wind en regen met zich mee te nemen.
Dat we op Palawan weer bij de locals thuis komen blijkt wel als eerst Gijs en later ook Siets een noodzakelijk bezoekje dient te brengen aan de plaatselijke dokter. In niet meer dan een kleine huiskamer wordt er bij beide met een spaarlamp in het oor gekeken om te constateren dat we allebei een lichte oorontsteking hebben. Gelukkig schrijft deze kruidendokter geen gek middeltje voor maar krijgen we gewone antibiotica. Toch een nasleep van het vele snorkelen en duiken op Borneo.
De dagen in El Nido kunnen we noodgedwongen niet veel doen (misschien ook wel eens een keer goed voor ons?!) door de tyfoon... En dan.. Komt de ommekeer en besluiten we het roer toch om te gooien. De weersvooruitzichten voor El Nido zijn zo slecht dat, als we hier willen blijven of waar dan ook in de Filippijnen, we nog 10 dagen regen en flinke windstoten zouden hebben. In een half uur tijd en na een aantal gesprekken met medereizigers besluiten we om onze vliegtickets te wijzigen en terug te gaan naar Maleisië. We besluiten om een ticket te boeken naar het eiland Langkawi in het noordwesten van Maleisië waar we nog niet geweest zijn. Toch nemen we met een beetje pijn in het hart afscheid van de Filippijnen want het is zo heerlijk om ergens rond te reizen waar de mensen zo ontzettend vriendelijk en oprecht zijn en je geen hordes toeristen tegenkomt. Misschien tot over een paar jaar?!
Op naar de zon!
Wat een opluchting wanneer we eerst heelhuids door de tyfoon naar Kuala Lumpur vlogen en vervolgens de zon ons tegemoet kwam toen we de landing inzetten op Pulau Langkawi. Volgens de Lonely Planet is Langkawi één van de meest toeristische eilanden van Maleisië maar daar hebben wij weinig van gemerkt. Elke ochtend het strand van zo'n 4 kilometer lang voor onszelf voordat een handjevol toeristen langzaam het strand op druppelt.
Op Langkawi doen we werkelijk voor ons doen heel en heel erg weinig. Onze dagen bestaan uit ontbijten, naar het strand wandelen, zonnen, zwemmen, boekje lezen, lunchen, zonnen, zwemmen, boekje lezen, avondeten en dan naar één van de vele gezellige strandbarretjes. Aangezien de tours behoorlijk toeristisch blijken te zijn skippen we die ook mooi en in de resterende tijd lezen we het ene na het andere boek uit.
Eén dag huren we twee scooters en racen we het hele eiland rond. Begrenzers op de scooters kennen ze niet want vol gas betekent hier echt vol gas en je haalt met gemak de 90 km/u. We maken nog even een pitstop bij het ziekenhuis van Langkawi om Siets haar oren te laten checken maar de ontsteking is minder aan het worden. Je beseft dan wel hoe goed de ziekenhuizen in Nederland zijn en hoeveel privacy ze bieden want achter Siets ligt een vrouw knock-out op een bed en rechts van haar ligt een man op een brancard met een rare snee in zijn zij.. Ons hostel is erg gezellig en we lachen wat af met Ian, een Schot die werkelijk de hele wereld al gezien heeft. De verhalen en grappen hebben het niveau van Monty Python dus dan weten de meesten wel genoeg..
Na een week verlaten we het relaxte en leuke Langkawi en vliegen we in een uurtje terug naar Kuala Lumpur voor onze laatste 2 dagen. 's Avonds gaan we voor poging twee naar de Mamak samen met Suin en deze keer is die wel open. Suin heeft een leuk verjaardagscadeau voor Gijs en ook deze avond is weer erg gezellig. We sluiten de avond af samen met de eigenaar van ons hostel, Willi, en 2 flesjes rum voordat we een brakke nacht tegemoet gaan omdat het werkelijk bloedheet is.
De allerlaatste dag van de vakantie shoppen we er op los en gaat vooral Gijs met een nieuwe kledingkast naar huis. Op dit moment zitten we in Cairo te wachten op onze laatste vlucht terug naar Brussel. De vijf vakantieweken zitten er weer op en wij hebben in het vliegtuig nog even de tijd om na te denken over onze volgende bestemming. Iemand nog ideeën?!