Siets en Gijs op wereldreis!

Wauwstralië

Het ene hoogtepunt volgt het andere op in de resterende drie weken die we door Australië touren. Na 4,5 week laten we de oostkust met haar highlights als Fraser Island, Cape Hillsborough, the Hill Inlet bij de Whitsundays, de Great Barrier Reef en Daintree Rainforest achter ons om af te sluiten in Centraal-Australië rondom de Red Centre. Met een bezoek aan Uluru, oftewel Ayers Rock, is weer een item van de toch al mooie bucketlist gestreept..

Surfin’ Australia
Het dorpje 1770 wordt in bijna elke reisgids aangeprezen als must go en daar gingen we dan. Kilometers omrijden om aan te komen in het dorpje waar op 24 mei 1770 Captain James Cook voor het eerst voet aan wal zette. Je bent het monument voorbij voor je er erg in hebt, zo klein is het en ook het dorpje ben je weer uit als je drie keer met je ogen knippert. Zo klein als het dorpje is, zo vol staan de campings. Zelfs in de gebieden waar je wild mag kamperen staat het overvol. Gelukkig kwamen we via het aardige vrouwtje van de VVV bij Southern Cross Backpackers terecht en op het moment dat we daar de oprijlaan opreden kregen we weer even het backpack-gevoel van de afgelopen jaren terug; hele relaxte sfeer, grote loungeruimte en een hoop backpackers. Na een goede nacht huren we ’s morgens een surfboard en wetsuits en gaan we het surfen nog eens proberen. Dit was de laatste kans in Australië want hoe noordelijker we gaan, des te minder de golven worden. Zowaar lukt het om een paar keer te blijven staan en als we het na een uur of 3 genoeg vinden brengen we het board en de wetsuits terug en gaan we ons opmaken voor 1,5 dag flink wat kilometers maken.
Een verborgen pareltje
We hadden er een behoorlijke detour voor over om bij Cape Hillsborough aan te komen. Gelukkig hadden we ’s middags via internet in de supermarkt nog één van de laatste camperplekken kunnen reserveren want bij aankomst op de camping was de rij wachtenden niet van de lucht. We zoeken een perfect plekje uit, dicht bij de campkitchen en douches maar vooral met grandioos uitzicht op de zee en haar rotsen. Juna neemt ’s middags nog een duik in het zeewater voordat we voor de allereerste keer ’s avonds lekker buiten kunnen zitten zonder dat het daar te koud voor is. ’s Morgens om kwart voor 6 gaat de wekker al; hop, Juna in de slaapzak de buggy in met fles melk en op naar het strand. Daar aangekomen zien we tientallen wallaby’s en kangoeroes rustig rond waggelen op zoek naar eten. En dat terwijl de zon langzaam opkomt! 
Het mooie is dat nog maar heel weinig mensen deze verborgen parel weten te vinden en daardoor heb je het gevoel bijna alleen op het strand te staan omdat de enigen die er staan de campinggasten zijn. Absoluut ons hoogtepunt tot nu toe *ja het streeft met gemak Fraser Island voorbij*. Adembenemend om te zien hoe deze mooie beesten zich van niets en niemand iets aantrekken en gewoon doen waar ze voor gekomen zijn: eten. We vergapen ons een uur aan het schouwspel voordat we een ochtendwandeling over het strand maken waarna we ontbijten, de camper inladen en op weg gaan naar Airlie Beach.
Witter dan wit bij de Whitsundays
In Airlie Beach vinden we op goed geluk een hele fijne camping voor drie nachten; een mooie, zonnige camperplek, een speeltuin en honderden kaketoes die, als je ze niet zou zien, vanzelf wel van zich laten horen. Na een middagje relaxen, gaan we de dag daarna met zijn drieën op tour naar de Whitsundays. Ongelofelijk veel over gehoord en Whitehaven is dé trekpleister van de Whitsundays. Allereerst stoppen we op een klein eilandje waar we een hike lopen die uiteindelijk leidt tot de Hill Inlet Lookout en WAUW.. We hebben tijdens al die reizen mooie uitzichten en parelwitte stranden gezien maar dit uitzicht slaat echt alles. We vergapen ons minutenlang aan de tig kleuren blauw van het water en het wit van het strand.
Weer een mooi hoogtepunt te pakken in Australië. Daarna varen we verder richting Whitehaven beach waar we een heerlijke BBQ lunch hebben tussen de grote lizzards en waar we op het strand en in het water relaxen. Tegelijkertijd hebben we Juna haar eerste dikke tranen gezien want of ze nu bang was van onze gids die een perfecte personificatie van Daffy Duck was *zowel qua uiterlijk als qua stem* of het feit dat ze de kleine rubberbootjes waar we in moesten niet leuk vond; bij beiden zette ze een gigantische keel op die we niet van haar gewend zijn.
Dat werd de dag daarna tijdens een heerlijk campingdagje nog even versterkt toen ze dacht te kunnen lopen en face forward met haar gezicht op het cement klapte, tot bloedens toe.Na de lunch varen we verder om op een mooie plek, maar wel in koud water, te snorkelen. Op deze plek in de Whitsundays is het koraal nog redelijk intact en zwemmen er verschillende bontgekleurde vissen rond. Tegen het einde van de middag komen we weer aan in Airlie Beach en hebben we een mooie tour achter de rug met als hoogtepunt het uitzicht over Hill Inlet. We moeten wel als kanttekening plaatsen dat we het bedrag dat we neer moesten tellen voor de Whitsundays een beetje overdreven vonden maar dat is wat massatoerisme met de nummer 1 bestemming van Australië doet..
Great Barrier (wegd)Reef
Met een tussenstop via Magnetic Island waar Gijs met de hand de wilde rock wallaby’s *ja echt, kangoeroes die tussen de rotsen wonen* eten gaf en waar we het eiland rond toerden in een lokale bus komen we na een hele lange dag rijden in Port Douglas aan. Het Saint-Tropez van de Australische oostkust en onze gateway naar de Great Barrier Reef.  Als we de camping oprijden krijgen we voor het eerst in 4,5 week regen te verduren maar na een enkele kleine plensbui is het de rest van de dagen in Port Douglas bewolkt met hier en daar zon. We splitsen ons weer even op en Gijs neemt nu de aftrap om als eerste van ons twee richting het Great Barrier Reef te varen om daar te gaan duiken. Beiden hebben we er voor gekozen om richting de rand van de continental shelf te varen omdat hier het rif nog bijna geheel intact en dus mooier is. Ook al kost dit ons beiden een goede maaginhoud want de golven op open zee zijn behoorlijk. 
ijdens de drie duiken die Gijs maakt ziet hij heel veel koraal, verschillende vissen, schildpadden en ook roggen. De dag daarna is het dan de beurt aan Siets om te gaan snorkelen op een andere plek in het rif. Naast roggen, schildpadden, haaien en zelf het aaien van een zeekomkommer *super belangrijke diertjes weten we nu* ook hier weer mooi koraal en zelfs hele muren van zo’n 8 meter hoog. Tussen de tripjes door krijgen we veel informatie van de marine biologen die mee zijn op de boot. Zo vertellen zij de gevolgen van klimaatverandering voor het koraal en ook die gevolgen worden op sommige plaatsen al goed duidelijk. Je zou de aarde kunnen vergelijken met ons eigen lichaam. Stijgt onze lichaamstemperatuur met 1,5 graad dan krijgen we koorts en zijn we van slag. Zo werkt het ook met de aarde; 1,5 graad is in heel veel gevallen, en vooral voor het koraal hier, funest. Het sterft af en verbleekt. Tijd voor de mens om eens echt wakker te worden!
Naar tropische en grote hoogten
Na een aantal mooie dagen in Port Douglas reizen we verder richting het noorden en steken we de Daintree Rivier over op weg naar het tropisch regenwoud. We hebben een schitterende camping gevonden midden in het regenwoud maar met borden als ‘crocodiles inhabit this area’ en de pythons, levensgrote spinnen, ratten en cassowaries *gekke struisvogels met een grote blauwe bult op hun kop* maakt een nachtelijk toiletbezoek toch ineens iets spannender dan normaal..
‘s Middags lopen we met Juna in de draagzak een bushwalk in de hoop de cassowary te spotten maar ze houdt zich angstvallig verborgen voor ons. Over boomstammen struikelend, grote varens weg duwend en over kabbelende beekjes stappend komen we weer heelhuids op de camping aan. De rust en het geluid van de jungle blijft toch elke keer weer geweldig (het compleet lek gestoken worden door de muggen dan weer niet maar goed). De dag daarna gaan we met een gepensioneerde Australiër op pad in zijn bootje op zoek naar die krokodillen. Dwars door de mangroves wandelen we naar zijn boot en dat geeft toch een beetje een onzeker gevoel.. Veilig en wel in de boot gaan we op weg en zien we hoe het getij het estuarium weer vol doet lopen en als kers *de zoveelste deze vakantie* op de taart zien we een vrouwtjeskrokodil uit het water klimmen.
En dan pas zie je wat een enorme kracht die dieren uitstralen en hebben. Door haar staart te gebruiken krijgt ze het voor elkaar om op de kant te komen die toch aanzienlijk hoger ligt. Wetende dat niets veilig is op een afstand van 4 meter van de kant af passen we wel op om later op het strand even een teen in het water te steken. De tropische hoogten hebben we bedwongen, een paar dagen later was het aan Gijs om zijn verjaardagscadeau dat hij van Siets en Juna kreeg op grote hoogte te gaan innen. In een klein vliegtuigje vloog hij een dik uur boven het Great Barrier Reef! En omdat ze met een oneven aantal waren en Gijs alleen was kreeg hij ook nog eens de beste plek in het vliegtuig; naast de piloot!
Met een smile van oor tot oor kwam hij terug en vanuit de lucht is de Great Barrier Reef net zo fantastisch.En dat alles terwijl Juna zich vermaakte in de mooiste speeltuin die we in heel Australië tegen zijn gekomen *tip voor iedereen die met kids naar Australië wil; Muddy’s Playground in Cairns is the place to be. Een compleet water- en speeltoestellenparadijs en je kunt jezelf vermaken in het gezellige café dat erbij zit waar ze ook nog eens de beste koffie serveren van de regio*Voor ons alle drie een top afsluiting van de ruim 3700 kilometer die we langs de oostkust van Australië afgelegd hebben. In alle vroegte pakten we een shuttlebus die ons naar het vliegveld bracht voor de laatste paar dagen in Centraal-Australië.
The Red Centre
Qantas was zo vriendelijk om onze vlucht te wijzigen zodat we niet rechtstreeks maar via Ayers Rock naar Alice Springs vlogen. Nou, een retorische vraag of dit een straf was. De berg die al heel lang heel hoog op het verlanglijstje stond konden we nu ook al vanuit de lucht zien. Hoe bizar ziet die monoliet *straks meer* eruit in een compleet kaal, dor en rood landschap. We halen in Alice Springs *waar we toch een kleine cultuurshock kregen door de vele Aboriginals die veelal dronken door de straten zwalkten* onze ietwat verouderde campervan op en gaan meteen op weg de outback in omdat rijden rond en na zonsondergang geen aanrader is vanwege alle dieren, vooral kangoeroes, die dan de weg op schieten. En die kangoeroes in de Red Centre, zoals dit gebied heet, zijn net zoals schildpadden en krokodillen aparte dieren. Zij zijn namelijk in staat om, vanwege gebrek aan eten en drinken, hun zwangerschap on hold te zetten voor een aantal weken totdat ze weer voldoende te eten hebben gekregen. Op het eerste stuk zagen we ‘gelukkig’ meer kapotte autobanden dan dode kangoeroes liggen toen we door oneindige stukken niemandsland reden.
We kamperen op campings die soms 100 kilometer van een beetje bewoonde wereld *lees; drie huizen en een tankstation* af liggen. De eerste bestemming is Kings Canyon; een gebied dat door veel toeristen vaak, onterecht, wordt overgeslagen. Kings Canyon wordt ook wel de Australian Grand Canyon genoemd en hoewel we niet in de Amerikaanse geweest zijn vinden we het er wel veel van weg hebben. We lopen er twee hikes: de eerste door het zonder water staande rivierbed zodat je de kolossen van bergen boven je uit ziet tornen en de tweede via de South Wall Walk naar twee supermooie lookouts hoog gelegen in de bergen. En wat voel je jezelf ineens klein als je hier tussen dat natuurgeweld staat.
Die avond kamperen we unpowered en dat betekent steenkoude nachten in de woestijn! Daarnaast is alles rood zand en stof dus de utopie om enigszins acceptabel en schoon op foto’s te staan laten we snel varen. De volgende ochtend vertrekken we vroeg richting Uluru-Kata Tjuta National Park. Het gekke is dat Yulara het vertrek- en kampeerpunt voor Uluru en The Olgas is maar als je dat ‘dorpje’ binnenrijdt blijkt het gewoon een compleet resort te zijn met appartementen, hotels en onze camping. We laden onze spullen snel uit, pakken de camper weer en gaan op weg naar Uluru voor een middaghike. En hoewel we vaak proberen te omschrijven hoe natuurschoon eruit ziet lukt het in het geval van Uluru, of Ayers Rock, écht op geen enkele manier. Het is niet ‘zomaar’ een rots die voor je opdoemt in een verder compleet kaal landschap maar het heeft iets magisch.
Uluru is zo’n 550 tot 900 miljoen jaar geleden ontstaan en het landschap was toen nog kaarsrecht. Het gesteente van Uluru begon op een gegeven moment zo te krommen door de beweging van de aardkorst dat de uiteinden boven de grond kwamen te liggen en het middendeel van Uluru naar beneden kromde en nog steeds deels onder de grond ligt. Makkelijk gezegd: Uluru is op haar zij gevallen.. Cultureel gezien is het verhaal minder ingewikkeld en komt de naam Uluru uit de Aboriginal-taal en voor de Aboriginals is het een heilige rots (de naam Ayers Rock komt trouwens van de ontdekkingsreiziger William Gosse die in 1873 de rots zag en hem vernoemde naar de toenmalige premier van Zuid-Australië: Henry Ayers). De Aboriginals beheren samen met de parkrangers het gehele park en geven scholing aan de rangers over de planten en dieren die hier voorkomen. Iets ten oosten van Uluru leven nog zo’n 150 tot 400 traditionele Aboriginals die daar hun gewoonten en ceremonies tot op de dag van vandaag in stand houden.
’s Avonds pakken we ook nog een schitterende zonsondergang mee waarbij je de rots in zoveel verschillende kleuren rood ziet veranderen totdat die uiteindelijk bruin wordt wanneer de zon volledig onder is. De laatste dag voordat we de terugreis inzetten richting Alice Springs staan we weer vroeg op om naar de zonsopkomst te kijken. En dan zie je pas hoeveel mensen er op het resort zitten want het ziet er bijna zwart van de mensen. Toch is het 10 minuten na zonsopkomst bijna verlaten en zo staan we daar toch bijna alleen met zijn drieën bij Uluru.
We rijden door en ontbijten aan de voet van de Olgas (Kata Tjuta), niet één maar 36 monolieten bij elkaar die daar ook weer als door een buitenaards wezen neergezet lijken te zijn. Onder het aardoppervlak ligt een gesteentelaag die Uluru met de Olgas verbindt. Ook hier lopen we een hike voordat we naar het laatste uitkijkpunt gaan waar we de Olgas als Uluru samen op de gevoelige plaat leggen voordat we de terugweg inzetten en de camper inleveren.De laatste activiteit voordat we aan onze lange terugreis beginnen is een bezoek aan de Royal Flying Doctors Service.
Keken we vroeger allebei naar de gelijknamige serie, nu zagen we het werk in real life. De RFDS begon ooit met een enkel vliegtuig maar de vloot is inmiddels uitgebreid naar 71 vliegtuigen op 23 verschillende luchthavens die in totaal ruim 278.000 mensen per jaar voorzien van acute hulp maar daarnaast ook in basismedicijnen en 24/7 advies. We zijn behoorlijk onder de indruk als we zien dat al die vliegtuigen gemiddeld elke 2 minuten 1 persoon helpen ergens in afgelegen gebieden die verder nauwelijks toegankelijk zijn. Daarnaast biedt de RFDS ook hulp als het gaat om mensen snel te verplaatsen van bijvoorbeeld Adelaide naar Melbourne. Nog meer kleine feitjes: 773 mensen per dag worden geholpen, elke dag wordt meer dan 72.000 kilometer gevlogen om mensen te helpen en voor elke persoon wordt gemiddeld 93 kilometer afgelegd. Behoorlijk dankbaar en mooi werk dachten wij zo en bovendien een mooie afsluiting van een indrukwekkende tour door de Red Centre. 
Reizen met “bubba”
Normaal gesproken sluiten we anders af maar omdat dit de eerste keer was dat we een echte grote reis met Juna maakten en we ontzettend veel (leuke) opmerkingen kregen hier in Australië vanwege ‘bubba’ zoals Juna door de locals genoemd werd toch even een korte beschouwing. Is reizen met een klein kind lastig? Volgens ons is het zo lastig als dat je het jezelf maakt. Juna is super flexibel en neemt de dagen gewoon zoals ze zijn en wij dus ook. Grappig feitje was dat we wel een keer of tien zijn aangesproken door Australiërs dat ze respect hadden dat wij met een kleintje op reis waren. Moet je ergens op letten? Wij hebben meer kunnen doen dan dat we van tevoren gedacht hadden maar dat is ook omdat je er bewust voor kiest dingen apart van elkaar te doen zodat Juna ook quality time krijgt met één van ons. Daarnaast vindt Juna alles prima zolang wij maar in de buurt zijn. Je moet wel rekening houden met een lager reistempo en we zagen dus nog nooit zoveel speeltuinen van dichtbij als deze vakantie.
Het grootste voordeel van reizen met een kind? 
Je bent een aanspreekpunt voor iedereen, er is altijd een ingang voor een gesprek vanwege de aanwezigheid van de kleine en het grootste voordeel dat wij ondervonden was dat Juna heel open naar andere mensen is. Ze zwaait bijna naar iedereen, geeft high-fives en lacht constant. In die zin denken we dat Juna flexibeler geworden is naar (vreemde) mensen dan dat ze voorheen was. Hebben we geluk gehad? Wij hebben met Juna sowieso geluk maar het is ook hoe moeilijk je er zelf over doet. Juna is geen moeilijke slaper, geeft aan wat ze wil en vindt in de auto zitten ook geen probleem. Doen we het nog een keer? Ja zeker! Op naar volgend jaar!!! Waarheen? Daar waar Juna en de zon ons brengen.. G’day!

* Voor de nieuw(st)e foto’s van Australië even naar beneden scrollen..

Upside Down Under

Australië, het land ‘down under’, het land van de kangoeroes, de dingo’s en de koala’s. Maar ook het land van de super relaxte Ozzies, daar waar iedereen je aanspreekt met een “G’day mate how are you” en het land van de enorme afstanden. In zes weken reizen we van Sydney naar Cairns en Alice Springs in een iets luxere camperuitvoering dan de laatste keren dat we een campertje huurden.

Sprankelend Sydney
Bepakt en bezakt vlogen we op een vroege zaterdagmorgen vanaf Düsseldorf richting Frankfurt en later Singapore. In Singapore hadden we tussen de vluchten door afgesproken met Rob (die voor de lol gewoon een enkeltje Kuala Lumpur geboekt had om zo achter de douane met ons af te kunnen spreken) om ‘even’ een koffie te doen en bij te praten. Daarna weer het volgende vliegtuig van Singapore Airlines in om na 8 uur vliegen dan eindelijk te landen in Sydney. Juna vindt het allemaal wel prima en bekijkt alles aan de binnenkant van haar ogen terwijl wij op zoek gaan naar een Uber die ons met al onze bepakking inclusief kind mee wil nemen. Uiteindelijk lukt het en komen we een dik uur later bij onze super Airbnb in het noorden van Sydney aan. Snel naar bed en de dagen daarna ontdekken we Manly *een mooi voorstadje van Sydney* en natuurlijk Sydney.
Sydney is een hele relaxte stad met zo goed als alle bezienswaardigheden bij elkaar in de buurt. Met de ferry vanaf Manly zien we The Opera House in haar volle glorie al opdoemen. Van dichtbij is het gebouw nog imposanter. We lopen er omheen, net zoals we om de vele Chinezen heenlopen die het land met hordes tegelijk weten te vinden. Na The Opera House wandelen we via The Rocks, het oude deel dat door de Engelsen gebouwd is, en het uitzicht op de Harbour Bridge naar de Barangaroo Reserve en uiteindelijk naar Darling Harbour waar vooral Juna zich keer op keer kan uitleven op de glijbanen in de speeltuin. Als Juna al verstaanbaar zou kunnen praten dan zou ze iedereen vertellen dat haar hoogtepunten van de reis waarschijnlijk alle glijbanen waren die we tegen zijn gekomen. Overal waar ze er ook maar één ziet is het ‘grijen, grijen’ en dan springt ze nog net niet van enthousiasme uit de buggy.
De laatste dag gaan we richting het oh zo bekende Bondi Beach maar aangezien het winter is (ook al scheen de zon volop) was het drukker op de ijsbaan die voor Bondi Beach lag dan Bondi zelf. Dus helaas, geen Bondi Rescue in levenden lijve kunnen zien maar misschien was dat maar goed ook. De laatste avond in onze Airbnb worden we door onze hosts Jo en Stewart uitgenodigd voor een heerlijk etentje bij hen thuis en krijgen we echt een kijkje in de gastvrije keuken van de Australiërs. De volgende dag is het tijd om onze campervan op te halen en kan het avontuur echt beginnen.
Blue or Green Mountains?
Nadat we gesetteld zijn in onze van rijden we meteen door naar de Blue Mountains die haar naam dankt aan de blauwe gloed die boven de bomen hangt door de waas van olie die op haar beurt weer van de eucalyptusboom afkomstig is. Na bijna weggewaaid te zijn, te hebben genoten van het uitzicht en met een deuk extra in de bus *fijn op dag 1 door iemand die niet kan inparkeren, en it wasn’t us* gaan we op weg naar de eerste camping voor een ietwat frisse nacht.
Kilometervreters
Het grootste voordeel van een camper is dat je zelf kunt bepalen waar je heen gaat, wanneer je stopt en vooral waar je stopt. Ons tempo ligt met Juna iets lager omdat ook zij de nodige speeltijd nodig heeft maar dat betekent dan weer wel dat we op de meest idyllische en remote plaatsjes terecht komen die er in Australië zijn. En de namen spreken ook al tot de verbeelding. Zo hebben we bijna op het strand gekampeerd in Shoal Bay, stonden we naast een vrouw op leeftijd in haar eigen campertje aan Lake Macquarie en kletsten we uren met onze buren op de camping aan een baai in Burleigh Heads. Daartussen maakten we meters op de snelweg maar genoten we ook van de relaxte manier van rijden van de Australiërs, de uitzichten, de vele wandelingen die we maakten, de net zo vele bakken koffie die we dronken in één van de ontelbaar gezellige koffiebarretjes en de toffe muziek of een kwebbelende Juna op de achterbank. In totaal hebben we in de eerste weken van onze trip meer dan 1400 kilometer afgelegd en dat gaan er de komende weken zeker niet minder worden.
Koala to the rescue
Tussen de stranden door komen we aan in Port Macquarie (een van de plaatsjes waar we ons wel zien rentenieren) op een super camping. Wel volledig tussen de pensionada’s *hier de grey nomads genoemd* maar voor Juna aan aandacht geen gebrek. In Port Macquarie staat het enige koalaziekenhuis ter wereld en daar brengen wij een bezoekje aan. We worden door een vrijwilligster rondgeleid en krijgen een goed beeld hoe ernstig de situatie gesteld is met koala’s in Australië. In de staten New South Wales (waar Sydney toe behoort) en Queensland (het deel van ongeveer Brisbane tot Cairns) behoren de koala’s tot de bedreigde diersoorten. Waren er in de jaren ’50 nog zo’n 3 miljoen koala’s, tegenwoordig zijn dat er in heel Australië minder dan 80.000. De grootste bedreiging voor de koala is, natuurlijk, de mens met haar honden als huisdier. De meeste koala’s die opgenomen worden in het ziekenhuis zijn aangereden door motoren of auto’s, aangevallen door honden of ze hebben chlamydia. Dat laatste komt voor wanneer koala’s te dicht op elkaar moeten gaan leven omdat mensen massaal de eucalyptusbomen kappen. En die bomen, die hebben zij juist hard nodig want ze eten zo’n 500 gram bladeren per dag, zijn erg territoriaal en dus verlaten hun boom eigenlijk nauwelijks. De koala’s die gered worden kunnen niet allemaal meer teruggeplaatst worden omdat ze vaak zo verminkt zijn dat ze het niet meer zouden redden. We hebben koala’s gezien die één of twee ogen of een been misten..
De koala’s krijgen in het ziekenhuis allemaal een naam. Hun eerste naam is de plaats waar ze gevonden zijn en de tweede naam mag de vinder van de koala die de dierenambulance heeft gebeld zelf aan de koala geven zolang deze niet brutaal of ongepast is. Op die manier weten de verzorgers waar ze de koala’s weer terug moeten plaatsen als dat mogelijk is. Alles dat in het ziekenhuis gebeurt is volledig vrijwillig en komt tot stand door donaties en fondsen. Wij vonden het in ieder geval een heel indrukwekkend ziekenhuis en zo goed wat die 200 vrijwilligers dagelijks voor deze diertjes doen die met uitsterven bedreigd worden.
Beachin’ in Byron en Burleigh

De bestemmingen die we noordelijker richting Brisbane aandoen staan beiden in het teken van strand en zwembad. Byron Bay is de meest oostelijk gelegen stad van Australië en ademt een gezellige (hippie)sfeer uit vol met backpackers. Wij rijden richting Watergo’s Beach omdat we die tip van Jo en Stewart kregen en ze hebben niets te veel gezegd. Parelwit zandstrand, heerlijke golven en een prima plek om de dag door te brengen. Juna moest vooral heel erg wennen aan de golven maar meer nog aan het ietwat koude water. Aan zand raakt ze gelukkig steeds meer gewend en voorzichtig zet ze haar eerste losse pasjes op het strand van Byron.
In de namiddag gaan we het gezellige stadje in en komen we terecht in een park bij het strand waar jongeren heel relaxed gitaar zitten te spelen, mensen dansen en er flink wat bier gedronken wordt. We snappen wel dat backpackers in Byron altijd langer blijven hangen dan de bedoeling is want de sfeer is zo relaxed dat je hier automatisch een aantal dagen aan je planning vast zou plakken. Omdat we nog tig kilometers te gaan hebben konden wij de verleiding wel weerstaan en zijn we de dag daarna weer vertrokken naar Burleigh Heads of Palm Beach voor een nachtje familiecamping. En dan hoeven we denk ik niets meer te zeggen dan strand, zwembad en speeltuin. Dat zijn de drie codewoorden die voor Juna absoluut voldoende zijn. Gierend en krijsend springt ze in het zwembad en begint hard te huilen als we haar er na een uur weer uit willen halen. Een kleine waterrat..
Via Brisbane, waar we nog snel even een masterclass van Matt Preston *Australian Masterchef* meepakken, reizen we al snel door naar de Glass House Mountains en de Australian Everglades en dan blijkt eens te meer dat wij meer van de natuur dan van grote steden houden. De Glass House Mountains danken hun naam aan Captain James Cook. Toen hij de bergen plots voor zich zag opdoemen dacht hij door de vorm meteen aan zijn eigen ovens die glas bliezen in zijn geboortestreek Yorkshire. Het is in ieder geval bijzonder om te zien hoe de bergen van vulkanische oorsprong uitsteken boven de rest van de omgeving.Het andere bijzondere dat we zien zijn de Australian Everglades. Een prachtig natuurgebied dat we per boot verkennen waar we tussen de mangroves en verschillende soorten andere bomen met haar bewoners doorvaren. We kamperen echt in de middle of nowhere met uitzicht op Lake Cootharaba voordat we na twee nachten weer verder noordelijk trekken langs de kust.
K’Gari Paradise – Fraser Island
Voordat we in het leuke dorpje Hervey Bay aankomen stoppen we in Maryborough; één van Queenslands oudste stadjes en gesticht in 1847. Het mooie aan dit stadje is dat ze alle oude gebouwen niet platgegooid hebben maar in ere hebben hersteld waardoor je echt het gevoel krijgt terug in de tijd te gaan. Dit is tevens het stadje waar Pamela Lyndon geboren is; de schrijfster en bedenkster van Mary Poppins. We lopen langs haar geboortehuis en wil je daar de weg oversteken dan passeer je eerst een levensgroot standbeeld van Mary Poppins en vervolgens zie je haar ook nog eens terug in de verkeerslichten. Elke eerste zondag van de maand rijdt er in het stadspark nog een miniatuurtreintje zoals die in de 19e eeuw écht reed door Maryborough. Leuk hoe ze de geschiedenis hier levend houden.
En dan één van de hoogtepunten van onze trip Down Under so far: Fraser Island, of door de lokale Butchulla-stam, ook wel K’Gari (Paradise) genoemd. Fraser Island is het grootste zandeiland ter wereld en het enige waar het tropisch regenwoud in het zand groeit. Dit kan omdat de beekjes en het aanwezige zand met haar nutriënten zo veel voedingsstoffen leveren dat het hele tropisch regenwoud hier kan blijven bestaan. Al het zand is afkomstig uit de rivieren die verder zuidwaarts uitstromen in zee waar vervolgens zowel de zeestromen als de overheersende zuidoostpassaat *welkom bij weer een lesje Aardrijkskunde* het zand meenemen richting Fraser Island. We hebben besloten de tour afzonderlijk van elkaar te doen omdat ze kinderen onder de 4 niet toelaten op het eiland. En zo vertrok op dag 1 Siets en op dag 2 Gijs in een 4x4 richting het eiland.
Geen enkele andere wagen is geschikt voor dit ruige terrein en je wordt verschillende keren behoorlijk door elkaar geschud. In een dag tijd gaan we van het tropisch regenwoud, door eucalyptusbossen richting de oceaan met haar constant van kleur veranderende water. We scheuren met 80 km/u over het strand, waden door Eli Creek dat zo helder is dat het lijkt alsof er geen water in staat, bezoeken het bekende Maheno Shipwreck dat ooit schipbreuk leed en daar nog steeds ligt, zien de Pinnacle-rotsen met haar 90 verschillende kleuren zand en sluiten de dag af met een duik in het ijskoude Lake Mackenzie *Gijs dan* 
Als icing on the cake zien we ook nog humpbackwhales uit het water komen en dingo’s de jeep passeren. Een weergaloze dag en een mooie afsluiting van onze eerste drie weken in Australië. Op naar de volgende drie. G’day!



 

Het sprookje van 1001 nacht

Onze eerste backpackvakantie samen in 2007 ging naar Marokko en om die reden is het speciaal dat we nu onze eerste echte vakantie samen met Juna wederom naar Marokko togen. Was het de vorige keer het zuidelijke deel dat we al liftend doorkruisten, nu doen we het noordelijke deel maar dan met een gehuurde auto. Twaalf dagen in een sprookje van 1001 nacht waarin Juna de hoofdrol speelt..

In een wirwar van steegjes
De eerste vlucht van Juna verloopt al slapend en spelend; we hebben er letterlijk geen kind aan. Via onze riad in Fez hadden we een taxi geregeld omdat we nogal wat bagage bij ons hebben (reizen met een baby is iets uitdagender qua bagage dan alleen een pan en een sok meenemen als je gaat backpacken). De riad ligt in het hart van de souks/medina, verscholen in een klein steegje waar auto’s niet door kunnen. Een riad is een typisch Marokkaans huis met een mooie binnenplaats waar de kamers van de riad allemaal op uitkijken. Het moment dat we de drempel van de riad over stappen voelt het meteen als thuis. Juna wordt geknuffeld, opgetild, in de wangen geknepen en vooral overladen met kusjes door de locals. Dit zal de komende twaalf dagen ook nog gewoon zo doorgaan want waar wij komen voor de highlights van het land dat ons hart stal in 2007, zo is Juna de highlight voor de locals.

De volgende dag trekken we met de wandelwagen de medina van Fez in. Het is een groot wespennest van smalle steegjes waarin verschillende kooplui hun waren aan de man proberen te brengen; van schoenen, kruiden en pannen tot medicijnen, brood en kleding. Wanneer je de drukte even wilt ontlopen hoef je maar een zijstraatje in te duiken en je komt in een oase van rust. Tijdelijk dan want wanneer de locals Juna weer in het vizier krijgen heeft ze één en al bekijks. Zo komen passerende kinderen haar gewoon even snel een kusje geven of wordt ze door een beveiliger even vastgehouden en opgetild. Juna laat het allemaal gelaten en vaak met een glimlach over haar heen komen. Tussen de souks door bezoeken we de bekende poort van Bab Boujeloud, wandelen we langs een Koranschool en zien we het middaggebed in de grootste moskee annex universiteit van Fez.
Tegen het einde van de dag bezoeken we de Jnan Sbil Tuinen en voordat we daar geraken heeft het nogal wat voeten in de aarde. Dwars door de medina lopen verschillende gekleurde wandelroutes (al kwamen we daar na een paar uur wandelen pas achter) en zo volgen we de groene route richting de tuinen. Na een uur dwars door de souks gelopen te hebben bleek de tuin letterlijk een paar straten van onze riad af te liggen.. De avonden spenderen we in de buurt van onze riad of in de riad zelf met het spelen van spelletjes en het lezen van (eindelijk weer) een boek. En dat alles terwijl Juna heerlijk in haar tentje ligt te slapen.
De blauwe parel Chefchaouen
Op de dag dat we Fez verlaten halen we onze huurauto op en rijden we via het uitkijkpunt over Fez bij Borj Nord richting Chefchaouen in het Rifgebergte. Fez in bleek makkelijker dan Fez uit want we kozen een alternatieve route en kwamen dus letterlijk vast te staan op een markt en op de (snel)weg liepen meer mensen dan dat er auto’s reden. Ditzelfde tafereel kwamen we bij het passeren van een hele hoop kleine dorpjes (waar de tijd echt nog stil leek te hebben gestaan) nog vaker tegen. Wij vertrokken op zaterdag wat in veel kleine dorpjes marktdag betekent. Schitterend om weer het echte Afrika/Midden-Oosten te zien al vroegen wij ons oprecht af voor wie de bezienswaardigheid groter was; voor ons of de locals.
Na een uur of vijf met tussenstops komen we in het Rifgebergte aan en zien we het prachtige blauwe stadje al tegen de berg liggen; Chefchaouen. Onze schitterende blauwe riad was even zoeken want ook deze lag verscholen in de souk maar WAUW! Toen de deur open ging kwam er een oase van rust ons tegemoet en wat een fijn plekje was dit. Een super vriendelijke familie en een heerlijk grote en mooie kamer die de komende drie dagen van ons is. Chefchaouen is behoorlijk heuvelachtig dus Juna wordt in de draagzak gehesen en we wandelen op die manier door het blauwe stadje.
Chefchaouen betekent zoiets als ‘Look at the Peaks’ en dat snappen we wel want het dorpje is omgeven door hoge toppen van het Rifgebergte. Het dorpje werd ooit bevolkt door Spaans-Joodse vluchtelingen die de huizen hun typisch Andalusische karakter gaven (witte muren, kleine balkons en aardewerken dakpannen). Vervolgens schilderden ze alleen de voordeuren en ramen blauw maar in de loop der tijd werden de huizen en soms ook straten volledig blauw geschilderd en dat is nog steeds zo. Tot de jaren ’20 van de vorige eeuw was het dorpje zo goed als geïsoleerd van de buitenwereld maar toen een aantal jaren later een Franse avonturier en een Engelse journalist het prachtige dorp ontdekten was het gedaan met de rust.
In Chefchaouen struinden we door de smalle steegjes, bezochten we een kasbah (fort) met uitzicht over het Rifgebergte, wandelden we naar een ruïne van een Spaanse moskee een aantal kilometer buiten het dorp en bovendien vierden we hier oud en nieuw. Voor ons was 2018 natuurlijk een bijzonder jaar met de geboorte van kleine Juna maar we zijn er van overtuigd dat 2019 ons nog meer avonturen gaat brengen! Samen met vier Spanjaarden en twee Nederlanders proosten we op een stil dakterras (vuurwerk doen ze niet aan in Marokko) onder het genot van een glas champagne (die ergens in een kelder van de supermarkt verscholen lag) op het nieuwe jaar!!
Leven als een God in …
Op Nieuwjaarsdag nemen we na een heerlijk ontbijt afscheid van Dar Dadicilef (omgekeerd Felicidad in het Spaans) en gaan we dwars door het Rifgebergte op weg naar de Atlantische Oceaan, het voor velen onbekende Larache wel te verstaan. Wij kenden het voorheen ook niet maar het toeval wil dat hier een fantastische villa staat van een Frans-Marokkaans stel. Villa Zahra kijkt uit op zowel de bergen, de rivier als Larache en we krijgen er een knettergekke, de hele dag door ‘kif’-rokende chef-kok bij. De dagen in deze villa doen we helemaal niets behalve heerlijk relaxen op het gras, een stukje wandelen naar de oceaan en ongelofelijk lekker eten dat klaargemaakt wordt door de Franse chef-kok.
Daar krijg je dan ook de gratis en ellenlange verhalen over zijn jeugd, mondialisering en wat er allemaal beter is in Marokko dan in Frankrijk bij. Zijn vrouw Zahra (waar de villa naar vernoemd is) past met alle liefde en plezier op Juna en grappig om te zien hoe rustig Juna bij haar op de arm het hele perceel rond banjert. Ze herkent Zahra zelfs als die haar elke ochtend bij het ontbijt hallo komt zeggen en plat knuffelt. We zijn helemaal zen na een paar dagen in deze prachtige omgeving waarbij Philippe ons met alle liefde alles vertelt over zijn eigen groente- en fruittuin.
‘What the mellah’
We maken behoorlijk wat (kilo)meters wanneer we de villa van Philippe en Zahra verlaten want dezelfde dag dat we vertrokken in Larache leverden we ook onze fijne huurauto weer in Fez in. Maar niet voordat we nog een omweg namen via Volubilis. Volubilis is een Romeinse nederzetting die naar schatting stamt uit de derde eeuw en vooral diende als bestuurlijk centrum voor dit deel van Romeins Afrika. In deze vruchtbare regio werden vooral olijven en tarwe geëxporteerd richting Rome. We lopen hier een klein uur tussen de overblijfselen van de stad die niet verlaten werd nadat de Romeinen vertrokken waren. Dit is één van de weinige plaatsen in Afrika waar het Latijn nog eeuwenlang in gebruik is geweest voordat het verdreven werd door het Arabisch.
De laatste volle dag in Fez spenderen we in de Joodse Mellah (Arabisch voor wijk) waar we een synagoge en de vele goudsmeden bezoeken en bekijken. Onder het genot van een goede bak koffie (die vind je hier niet zo gek veel) in een tuin van een ruïne kijken we terug op een mooie eerste echte vakantie met Juna. Als afsluiter eten we een overheerlijke tajine met pruimen waarbij je het vlees niet hoeft te snijden omdat het vanzelf van het bot valt, voordat we Juna voor de laatste keer deze vakantie in haar tentje leggen en wij de koffers inpakken voor de terugreis.
Elf jaar later maar nog steeds is er aan de gastvrijheid van de Marokkaanse bevolking niets maar dan ook echt niets veranderd. Elke Marokkaan tovert een glimlach op zijn of haar gezicht, maakt een praatje en zelfs in de donkerste steegjes van de souks hebben wij ons geen milliseconde onveilig gevoeld. Zoals de Franse Philippe treffend zei: ‘Morocco is like a drug, once you get addicted you keep coming back to it’. En met die woorden sluiten we weer een hele fijne en mooie vakantie af. Tot in juli ‘Down Under’..



(te) Gek Japan

Japan is het land van de rijzende zon maar ook het land waar een gigantische tweedeling plaatsvindt. De eeuwenoude geschiedenis die in stand wordt gehouden door de conservatieve bevolking gaat gepaard met enkele van de meest bizarre activiteiten die je op de wereld tegen zult komen. Amazing en be amazed zijn de beste omschrijvingen voor de drie weken die we in Japan doorbrachten. Die drie weken werden gevuld met bullettreinen, atoombommen, fietsen over eilandjes, kimono’s, hotsprings en neonlichten.

Heftig Hiroshima
Naast de bizarre Manga-bibliotheek waar je op een zondagmiddag massaal Japanse families comics ziet lezen en de meest gefotografeerde poort van Miyajima is dé reden waarom we Hiroshima bezochten natuurlijk haar heftige verleden. Op 6 augustus 1945 om 08.15 ontploft de allereerste atoomboom ooit op zo’n 600 meter boven Hiroshima en zowel de hitte, de knal als de straling zorgen voor een ongelofelijk spoor van vernieling. In een straal van 2 kilometer rond het hypocentrum vinden op slag 78.000 mensen de dood en tegen het einde van het jaar staat de teller op 200.000 vanwege de naweeën van straling, kanker of verwondingen. Direct na de ontploffing hadden overlevenden sterke behoefte aan water om hun dorst te lessen en vandaar ook dat je door heel Hiroshima fonteinen ziet als herinnering aan die ramp. Naast het water staat ook de kraanvogel centraal en dit werd hét symbool van Hiroshima.
Sasaki Sadako was twee toen de atoombom op haar stad viel en zij overleefde de ramp ternauwernood. Op 11-jarige leeftijd werd bij haar leukemie geconstateerd en volgens een Japanse legende mag iemand die 1000 kraanvogels van origami vouwt een wens doen. Die 1000 werden er ruim 1300 maar helaas kwam haar wens om weer aan hardloopwedstrijden mee te kunnen doen niet uit en stierf ze op haar twaalfde. Haar boodschap is wel gehoord want sindsdien staat de kraanvogel centraal voor Hiroshima met haar kindslachtoffers van de atoombom en vouwen mensen over de hele wereld kraanvogels als teken van vrede. In het park vind je dan ook een standbeeld van haar met daaromheen allemaal gevouwen kraanvogels; wanneer schoolklassen het Peace Memorial Museum bezoeken nemen ze altijd een slinger van 1000 gevouwen kraanvogels mee.. Vanaf dat moment heeft de kraanvogel voor ons een nieuwe, diepere betekenis gekregen.
Het is moeilijk te omschrijven wat je voelt als je langs de A-bomb dome loopt dichtbij het hypocentrum waar de bom in 1945 viel maar het is hetzelfde gevoel als de Killing Fields in Cambodja of Auschwitz in Polen. Je krijgt er een zwaar gevoel van in je maag maar aan de andere kant laat het ook de ongelofelijke veerkracht zien van de Japanners en hebben ze de Industrial Promotion Hall (of A-bomb dome in het kort) bewust laten staan om constant herinnerd te worden aan de gruweldaden van de mensheid. De onderhandelingen om alle kernwapens uit te bannen lopen nog maar we hopen dat alle tegenstanders van dat verdrag een dag op bezoek gaan hier in Hiroshima om te zien wat het voor verdriet en verderf aan kan richten aan de mensheid.
Op een fietsie door Onomichi

Met de Shinkansen (de supersnelle bullettrein) zijn we binnen no time in Onomichi; een eigenlijk nietszeggend havenstadje met zo’n 150.000 inwoners. We verblijven twee nachten bij een Japans-Peruaans stel die in een authentiek Japans huis wonen van zo’n 115 jaar oud, inclusief krakende houten vloeren en houten schuifdeuren als scheiding tussen wc, douche en gang. Onomichi doet totaal niet toeristisch aan en dat vinden wij juist zo fijn (maar soms ook erg uitdagend om iets te bestellen zonder te weten wat je nu eigenlijk krijgt).
Hier huren we twee fietsen voor een dag en gaan we zo’n 35 kilometer fietsen over drie verschillende eilanden. Heuvels, bruggen en mooie afgelegen stranden wisselen elkaar af en op deze manier ervaren we de hitte niet zo heel erg. Onze meegenomen lunch in de vorm van rijstpakketjes nuttigen we onder één van die grote bruggen in de schaduw en we sluiten de fietstocht af op Sunset Beach tussen de locals die alles uit de kast trekken voor een dagje strand. We blijven ons verbazen over al die eigenaardigheden van de Japanners als ze een dagje strand doen!
Volledige volksverhuizingen worden op touw gezet als zij zich in vol ornaat richting de zee begeven; zwembanden, drie lagen kleding om vooral niet bruin te worden maar vervolgens wel met een waaier in de aanslag de hitte te lijf te gaan en complete strandtentjes worden meegenomen. Na een verkoelende duik nemen we de ferry terug richting het vasteland van Onomichi en eten we ’s avonds heerlijk typische okonomiyaki *een typisch Japans gerecht dat het midden houdt tussen een pizza en een pannenkoek maar dan met noodles en veel kool*
Kastelen en tempels in Kyoto
Als je wilt zien wat het echte Japan is dan moet je naar Kyoto zeggen ze. In zekere zin is dat waar want wat een gave historische gebouwen hebben ze hier en wat steken de neonlichten van de shoppingmalls, gamehallen en casino’s daar fel tegen af. De eerste avond dat we aankomen in Kyoto gaan we met John, een collega van Gijs, en zijn man op pad.
Na een overheerlijke maaltijd bij een Indiër willen we nog even een drankje doen in een barretje. Op een kale donderdag bleek dat nog niet zo makkelijk in deze miljoenenstad maar uiteindelijk kwamen we terecht in de ‘Shooting Bar’. En die naam hebben ze wel heel letterlijk genomen! Na een drankje besteld te hebben kregen we een andere menukaart onder onze neus geduwd; ‘you choose gun’ was de mededeling. Werkelijk waar! Gewapend met een AK47 en 50 rubberkogels mocht je jezelf botvieren op een target. En dat allemaal midden in een kroeg op twee hoog! Japan, be amazed..
De dagen na dit knallende begin spenderen we aan het bezoeken van een aantal schitterende tempels, te beginnen bij de Fushimi-Inari tempel. Deze tempel wordt gekenmerkt door een oneindig lijkende stoet van honderden knalrode shrines (bogen) die je langs 17 tempels leiden op weg naar de top van Mount Inari. Deze tempel is opgedragen aan de god van de rijst en (for God) sake en machtig mooi om doorheen te wandelen. Gelukkig zijn we vroeg want bij de afdaling naar de hoofdtempel onder aan de berg ziet het meer zwart van de mensen dan rood van de heilige bogen. Meteen daarna wandelen we via het volledig van glas zijnde station van Kyoto naar een andere boeddhistische tempel die helemaal van hout gemaakt is.
Al wandelend door de nauwe straatjes van de volkswijkjes van Kyoto passeren verschillende dames en heren ons in traditionele kimono’s waarbij ze op houten slippers lopen. Wij hadden na zo’n 15 kilometer wandelen in de brandende zon al last van onze voeten op onze Havaianas, laat staan wat deze Japanners doormaken op de houten slippertjes.. Ook de andere dagen in Kyoto en Nara (een stadje gelegen op een half uur rijden met de trein vanuit Kyoto) bezoeken we veel tempels waaronder een gouden paviljoen als ook de grootste houten tempel van Japan inclusief bronzen Boeddha.
De avonden sluiten we af met heerlijk eten bij onder andere de sushitrein *gewoon zitten en de sushi komt vanzelf langs in de vorm van een treintje* en verbazen we ons over de gigantische gamehallen waar de Japanse jeugd volledig uit hun dak gaat. Hysterisch om te zien maar ook om hysterisch van te worden want de geluiden knallen tegen elkaar in en de lichten maken dat je er bijna dizzy van wordt. Wij vonden Kyoto een toffe stad met een prima mix van historisch en modern. Toch zijn we ook wel blij dat we na vier dagen ‘echt’ de countryside van Japan op kunnen zoeken in de Japanse Alpen.
I’m walking in the rain..

Wanneer we weer de Shinkansen pakken naar de Japanse Alpen krijgen we in de trein al de waarschuwing dat een tyfoon met kracht 5 (de sterkste die er is) afstevent op Japan en bij aankomst op het station van Matsumoto merken we dat de wind aantrekt en de zon plaatsmaakt voor flinke hoosbuien. Gelukkig blijkt later als we in het appartement van een supertoffe Venezolaan aangekomen zijn dat ons behoorlijk wat leed bespaart gaat worden omdat de tyfoon de Japanse Alpen links lijkt te laten liggen. We zijn naar de Japanse Alpen gekomen om een hike te maken door het bergdorpje Kamakochi (niet te verwarren met de Tamagotchi, wie kent ‘m niet?!) en dat hebben we geweten.
Liepen we ’s morgens nog met de zonnebril op naar het busstation, even later werd dat rennen om nog droog in de bus te springen en bij het uitstappen hadden we de regenjas al aan. De omgeving is werkelijk waar prachtig maar de regen komt echt met liters tegelijk naar beneden. Tja, en omdat je toch al gepland had te gaan lopen zetten we dat plan maar gewoon door.. De eerste minuten ontwijken we de flinke plassen water nog op het pad maar dat blijkt totaal geen zin te hebben als we daarna tot aan de enkels in het water staan. Ach, we hebben ontzettende lol gehad om het feit dat we gewoon kletsnat geregend zijn.
Gelukkig waren we niet alleen want grote groepen Japanners waren net zo gek als ons om toch door weer en wind te gaan lopen. De hike van twee uur vonden we prachtig en we kunnen ons helemaal voorstellen hoe het landschap eruit moet zien als de zon wèl volop schijnt. Drijf en drijfnat pakken we de bus en trein terug naar Matsumoto en wat is warm douchen dan ineens toch fijn!
’s Avonds gaan we op zoek naar een eettentje en komen we uit bij een piepklein restaurantje met twee kleine tafeltjes en een bar met zes stoelen waar al een aantal aangeschoten Japanners zitten. Zij verstaan ons niet en wij hen niet maar met Google Translate kom je een heel eind en we hebben de grootste lol met ze. De dronken man aan de bar wil dat we bij hem blijven slapen maar dat aanbod hebben we toch maar afgeslagen. Met een dikke glimlach op ons gezicht pakken we nog een afzakkertje in een lokaal barretje voordat we ons bedje induiken.
Verjaardag op een speciaal plekkie
Elk jaar proberen we Gijs zijn verjaardag memorabel te maken en ook dit jaar is dat weer gelukt. Voor één nacht slapen we in een typische ryokan met onsen. Een ryokan is een traditioneel Japans huis waarbij je op tatami’s slaapt en je volledig in de watten gelegd wordt. Bij aankomst hijsen we onszelf in een kimono en duiken we de onsen *een natuurlijke hotspring* in met uitzicht op de Japanse Alpen. Gewoon WAUW en even volledig ontspannen.
De gastheer van de ryokan vond het volgens ons geweldig dat hij een keer en niet alleen Japanse gasten had en hij zijn Engels kon oefenen want tijdens het diner kregen we als cadeau voor Gijs zijn verjaardag eerst de plaatselijke sake om te proberen en het dessert sloeg al helemaal nergens op. Zo ontzettend veel fruit (en dan te bedenken dat fruit in Japan echt super duur is! Voor een appel betaal je hier al €4). We waren helemaal (letterlijk bijna) in de wolken. De dag daarna voordat we uitchecken zijn we nog een keer in de onsen gesprongen om volledig relaxed aan de trip naar Tokyo te beginnen en dat bleek hard nodig ook…
Leven op een kleine postzegel
Als je wilt weten hoe druk en overweldigend Tokyo is dan moet je bij aankomst net zoals ons de spullen in de Airbnb neergooien en op weg gaan naar ‘The Scramble’ oftewel Shibuya Crossing. Elke keer wanneer de verkeerslichten op groen springen steken meer dan 1000 (!) mensen van alle kanten de kruising over. Tel daarbij de neonlichten van alle gebouwen op en je wordt echt compleet overrompeld door dit geweld! ‘WELCOME IN CRAZY TOKYO’
Tokyo is met haar ruim 34 miljoen inwoners net zo groot als de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel bij elkaar en als je wilt weten hoe het voelt om nul personal space te hebben dan moet je een paar dagen doorbrengen in deze metropool. De eerste twee dagen werden we zo overrompeld dat we daarna echt behoefte hadden aan ofwel een rustig koffietentje, ons Airbnb-adresje of zelfs het strand op twee uur treinen van Tokyo. Het bezoeken van de meest bekende tempel van Tokyo was al net zo’n wespennest; niet te doen! Terwijl het ons duidelijk niet in de koude kleren ging zitten leek het de Japanners totaal niet te deren dat ze als sardientjes in blik door het leven gaan.. De dagen daarna laten we Tokyo rustig op ons inwerken en gaan we mee in de snelheid van de hardwerkende bevolking. En dat bevalt ons meer..
Op zoek naar Mount Foetsjie
Een aantal keren proberen we aan die menselijke drukte te ontsnappen door een boemeltreintje te pakken naar hoger gelegen oorden. Kawaguchiko is de uitvalsbasis om Mount Fuji (Japans bekendste berg annex vulkaan) te beklimmen of te bezoeken. Met twee gehuurde fietsjes rijden we in rustig tempo rond een aantal meren die toebehoren aan de Fuji Five Lakes. Hordes families genieten hier langs de waterkant van elkaar, de vers gevangen vis of kajakken er op los. Wij fietsen een aantal uren rond die meren en het plan was om daarna door te fietsen naar de Chureito Pagode voor een weergaloos uitzicht op Mount Fuji maar na de lunch bleek het eerder Mount Foetsjie geworden te zijn want door de dikke wolken en flinke regenbuien konden we alleen nog de steile hellingen zien maar de top bleef verborgen voor ons. Het gebied is prachtig (inclusief zelfmoordbos maar daarover straks meer) maar datgene waar we voor kwamen hebben we niet gezien helaas.
Elk nadeel heb z’n voordeel

De dagen na Mount Foetsjie begeven we ons weer in het stadsgedruis en kunnen we meer en meer genieten van Tokyo. Zo bezochten we de hippiewijk Shimo-Kitazawa (net zoals de drukte zijn ook de Japanse namen hier niet te doen) die zo’n relaxte dorpse sfeer uitstraalde dat dit onze favoriet is, liepen we naar de Tokyo Tower *sorry, een heel slap aftreksel van de Eiffeltoren* en kochten we kaartjes voor een honkbalwedstrijd.
De dag van de honkbalwedstrijd wilden we ’s morgens vroeg naar de grootste tonijnveiling en vismarkt van Japan maar toen we daar aankwamen bleek die dicht te zijn omdat ze hier een soort van driedaagse vakantie hebben. Het Imperial Palace daarna bleek ook gesloten en toen we ’s middags richting het baseball stadion liepen zagen we hordes mensen ons juist tegemoet komen..Nou, dat was een dag die behoorlijk in het water viel want de wedstrijd werd afgelast vanwege hevige regenval…
Dan maar een Engelse kroeg in en dat bleek een geluk bij een ongeluk. We raakten daar aan de praat met drie Japanse jongens en hebben echt een hele toffe avond met hen gehad. Zij leerden ons hoe de Japanners écht in elkaar zitten, hoe ze denken en waarom ze doen zoals ze doen. Het mooiste dat ze ons meegaven was dat Japanners alles doen voor de maatschappij en niet zozeer voor hun eigen geluk. Door hen leerden we die ‘bizarre’ Japanners nog meer waarderen om hun gekke gewoonten.
Alle charmes in de (wed)strijd gegooid
Het missen van een baseballwedstrijd zat ons toch niet helemaal lekker en vandaar dat we in Osaka voor poging 2 gingen. Alleen was het deze keer een topper tussen de Haisin Tigers uit Osaka en de Hiroshima Carps. Eigenlijk onbegonnen werk want die wedstrijd was al weken tevoren uitverkocht en een rondje om het stadion leerde ons dat niemand van plan was zijn of haar kaartje aan ons te verkopen. We hebben waarschijnlijk met een heel sneu gezicht bij de ticketoffice gestaan want op een gegeven moment kwam er een mannetje naar ons toegelopen die ons in het Engels vroeg wat we wilden. Nou, we hebben ons helemaal vastgebeten in die aardige man en hij bleek een prima schakel te zijn in de hiërarchische keten van managers want hij heeft via via geregeld dat we toch binnen konden! En zo zaten we met een knap staaltje zielige verhalen ophangen en talloze smeekbedes ineens tussen de 51.000 fans naar de Major League van Japan te kijken.
Wat een feest, wat een gekte en wat een sfeer! *klik hier voor een sfeerimpressie* Vier uur lang *de Carps wonnen uiteindelijk met 5-3* ging het stadion op en neer en na afloop liepen de fans gebroederlijk naast elkaar het stadion uit. Een fantastische avond waarbij we de hele avond een dikke glimlach op ons gezicht hebben gehad omdat we het toch weer geflikt hadden; de zogenaamde kers op de grote Japanse taart. Deze kers bleek ook zo goed als de laatste kers op de taart want het betekende voor ons een afsluiting van drie weken door bizar en te gek Japan.

“Rare jongens, die Japanners”
Nog nooit hebben we na het bezoeken van een land zo extreem de behoefte gehad om te vertellen hoe ‘bizar en gek’ een land kan zijn maar Japan is hierop een uitzondering. Vijftien keer bizar Japan omdat:
1) Japan zo extreem schoon is dat de opruimdiensten bijna letterlijk met een pincet de straten afspeuren op zoek naar rommel;
2) ondanks het feit dat er geen enkele prullenbak te vinden is, het toch juist zo schoon is op straat;
3) elke openbare wc, of de zogenaamde washlet, zo ontzettend schoon is. Hightech pareltjes die meer knoppen en schakelaars bevatten dan de cockpit van de doorsnee spaceshuttle (inclusief sfeermuziekje terwijl je jouw behoefte doet);
4) de verkeerslichten echt dramatisch zijn afgesteld maar dat de Japanners dat helemaal niets uitmaakt omdat ze toch gewoon braaf zo’n minuut of drie wachten op groen ook al is er in de verste verte niemand te bekennen;
5) de Japanners zo perfectionistisch zijn dat ze daarom ook vaak zeggen dat ze geen Engels kunnen omdat ze zich schamen;
6) de bevolking van Tokyo het niet erg vindt om op 1m2 te wonen met een heel gezin omdat er gewoonweg geen ruimte is;
7) je op elke hoek van de straat een ‘vending machine’ vindt waaruit je de gebruikelijke frisdrank en snacks kunt halen maar ook IPods, ondergoed, zonnebrillen, parfum, sigaretten of andere prullaria;
8) er speciale fietspaden zijn aangelegd in sommige steden maar alle fietsers gewoon stug op het trottoir blijven fietsen;
9) met krulspelden in je pony door de winkelstraten lopen hier volkomen normaal is;
10) er in Japan ook een rookbeleid is. Alleen is dat wel het omgekeerde van Nederland: roken is verboden op straat maar is wel toegestaan in kroegen en restaurants;
11) de medewerkers van een bedrijf lange dagen maken omdat ze pas naar huis mogen als de baas naar huis is. Dat betekent vaak een uur of 2 à 3 langer op kantoor en dan gewoon duimen draaien tot de baas afzwaait;
12) op elke straathoek ‘hulpjes’ staan die je of wijzen waar je naartoe moet (ook al is dit overduidelijk) of je behoeden voor naderende openbare werkzaamheden (ook overduidelijk);
13) er zelfs in de buurt van Mount Fuji een ‘zelfmoordbos’ of ‘the sea of trees’ bestaat waar mensen speciaal naartoe komen om een einde aan hun leven te maken. Het oogt als een gewoon bos maar aan alles voel je dat het niet zo is. Het is een plek waar mensen rustig kunnen sterven zonder daar anderen mee te belasten. Je wordt hier moeilijk teruggevonden door de grotten en met mos begroeide bomen. Het mooie van deze plek is de gedachte dat je met rust wordt gelaten en deze omgeving je de rust geeft waar je zo hard naar op zoek bent;
14) je op straat de stelletjes zo kunt herkennen. Ze dragen namelijk minimaal één kledingstuk dat hetzelfde is.. Dat kunnen de schoenen of de t-shirts zijn maar vaak is de hele outfit afgestemd op elkaar (ANWB-setjes te over hier dus);
15) ondanks dat er bijna meer spoor dan wegen lijken te zijn in Japan rijden de treinen van A naar B met een gemiddelde vertraging van slechts 18 (!) seconden.
Allemaal eigenaardigheden van de Japanse cultuur maar vooral bizar is het feit dat het een ontzettend veilig land is. Politie zie je nauwelijks, alles gaat op goed vertrouwen en toen we bij aankomst in Fukuoka één van onze rugzakken inclusief Gijs zijn telefoon lieten staan bij de bushalte en daar minuten later pas achter kwamen, bleek deze netjes afgegeven te zijn bij de balie. Ook in metro’s, op straat en in overvolle treinen kun je bij wijze van je tas gewoon open laten staan want niemand komt aan andermans spullen. Zo zagen we in de vroege ochtend een jongen zijn roes uitslapen op straat met zijn telefoon in zijn hand maar niemand die het in zijn hoofd haalt om die mee te nemen. In die zin dus ook bizar Japan! Voor ons is drie weken door Japan een reis geweest waarbij het land echt met geen enkel ander land te vergelijken is. Amazed en be amazed schreven we eerder en dat was het ook echt! Japan; een (te) gek land..
Stratego for real
Als afsluiter van onze trip door Zuid-Korea en Japan gooien we onze backpacks weer neer in Seoul en maken we ons op voor de DMZ (Demilitarized Zone) & JSA (Joint Security Area) op de grens tussen Noord- en Zuid-Korea. Door de recente ontwikkelingen rond Trump en Kim Jong-un waren delen van deze tour echte ‘no-go-areas’ geworden maar ‘gelukkig’ mochten we toch naar het JSA *dat onder beheer van de VN en vooral Amerika staat* waar we door een Amerikaanse militair rondgeleid werden. De JSA is het punt waar de MDL (Military Demarcation Line), de grens, tussen Noord- en Zuid-Korea loopt.
Voordat we daar aan komen krijgen we eerst de nodige instructies wat we wel en niet mogen doen. Fotograferen mag alleen op aangewezen momenten, wijzen is verboden en het maken van obscene gebaren kun je in dit streng bewapende gebied ook maar beter achterwege laten. Daarna opstellen in rijen van twee en dan gaan we richting de bekende blauwe barakken die letterlijk de scheidslijn vormen tussen Noord en Zuid. Dit is ook het punt waar de Koreanen hun koude oorlog ‘uitvechten’ want ze staan hier letterlijk oog-in-oog met elkaar! Het lijkt net alsof je zelf in het oog van een orkaan staat; de spanning is voelbaar maar de stilte lijkt gek genoeg iets rustgevends of zelfs 'veiligs' te hebben.
In de blauwe barakken staan een aantal Zuid-Koreaanse militairen ons in de gaten te houden en op de tafel in het midden van de barak, precies op de grens, liggen drie microfoons waarmee de Koreanen alles opnemen wat er gezegd wordt. Die tafel in het midden is letterlijk de MDL en door van de ene naar de andere kant van de tafel te lopen verplaatsen we ons dus van Zuid- naar Noord-Korea. Het geheel doet zo bizar aan; je weet dat je op een stukje omstreden gebied staat en dat een enkele gekke beweging acuut afgestraft kan worden. Aan de andere kant is het één groot machtsvertoon van zowel Noord- als Zuid-Korea want ze dagen elkaar uit zonder woorden en daden.
Als bezoeker is het af en toe behoorlijk verwarrend want het is een politiek schouwspel en de nodige propaganda van beide kanten. De Zuid-Koreanen geven, al dan niet subtiel, aan dat ze vrede willen maar blijven gedurende deze dag ook steeds benadrukken wat de Noord-Koreanen allemaal fout hebben gedaan in de geschiedenis en dat dit de reden is dat er nog steeds geen vrede is. Bij het verlaten van de JSA richting Dorasan Train Station zien we achtereenvolgens de Noord- als ook de Zuid-Koreaanse vlag hoog aan de horizon wapperen. In eerste instantie wapperde de Zuid-Koreaanse vlag het hoogste op een hoogte van 100 meter, niet veel later heeft Noord-Korea haar vlag gehesen tot de top op 160 meter. Weer dat machtsvertoon.
Het treinstation van Dorasan wordt ook wel omschreven als ‘not the last station from the South, but the first station to the North’ (en de propaganda moeten jullie tussen de regels door maar lezen..) Gebouwd als startpunt voor de treinlijn naar West-Europa maar ook om dagelijks arbeiders naar de overkant van de grens te vervoeren om te kunnen werken in het communistische Noord-Korea (in een complex van Zuid-Koreaanse makelij) waar de uurlonen in schril contrast staan met deze in het zuiden. Bizar dat er maar iets hoeft te gebeuren en de landen staan meteen op verkeerde voet met elkaar. Zo besloot Noord-Korea op 1 december 2008 de grensovergang en dus de spoorlijn te sluiten wegens beschuldigingen van de Zuid-Koreaanse regering. Telkens als het lijkt alsof de twee landen weer om tafel gaan gebeurt er iets dat de spanningen weer volledig doet oplaaien. Of dit nu een gekapte populier is of het ombrengen van guerilla-strijders; de boog staat zo gespannen tussen beide landen dat het minste of geringste de betrekkingen doet verstommen.
Gek genoeg staat op het station van Dorasan een stukje Berlijnse muur als symbool voor de eventuele hereniging van de twee Korea’s, net zoals dat het Duitsland ook gelukt is na 41 jaar IJzeren Gordijn. De immigratiedienst op dit station wacht nog steeds op de dag dat ze werkelijk hun diensten kunnen bewijzen aan het vertrekkende en inkomende volk maar wanneer die dag zich aandoet weet geen mens..
Na het station gaan we naar een uitkijkpunt waarbij we ruim zicht hebben op Noord-Korea en de twee dorpen die gelegen zijn in de DMZ. Het Zuid-Koreaanse dorpje Daeseong-dong wordt ook wel ‘Freedom Village’ genoemd en het Noord-Koreaanse dorpje Gijeong-dong draagt de naam ‘Peace Village’ al gaven de Zuid-Koreanen het dorpje de naam Propaganda Village mee. Dit omdat ze geloven dat het dorpje niet bewoond is omdat elke dag op gezette tijden het licht in de huizen aan gaat, er nooit mensen te zien zijn en de vlag elke dag op hetzelfde moment gehesen wordt..
Tot slot bezoeken we de DMZ zelf; het gebied van 2 kilometer aan weerszijden van de MDL wat dus aan de ene kant beheerd wordt door Zuid-Korea samen met de VN en aan de andere kant door Noord-Korea. Hier wordt duidelijk dat in het verleden wel vredesonderhandelingen geweest zijn en dat het mogelijk was voor 30.000 familieleden die na de Koreaanse opdeling van elkaar gescheiden werden om elkaar weer te ontmoeten. Toch is dat in de gehele geschiedenis van de twee Korea’s maar twee keer gebeurd en elke dag proberen Noord-Koreanen de oversteek te maken naar Zuid-Korea (helaas met weinig succes want de 248 kilometer lange grens wordt met prikkeldraad en de nodige militairen bewaakt).
Bij de DMZ gaan we nog de 3e infiltratie tunnel binnen; een tunnel die gebouwd werd door de Noord-Koreanen ondanks dat er al afspraken gemaakt waren tussen de landen om van elkaars grondgebied af te blijven. De bedoeling was dat de tunnels gegraven werden tot aan Seoul om zo alsnog een eventuele aanval te plegen op Zuid-Korea. De capaciteit van de tunnel moest genoeg zijn om 30.000 soldaten per uur naar de andere kant van de grens te brengen. Volgens Zuid-Korea zouden er nog ruim twintig andere tunnels zijn en wordt tot op de dag van vandaag met specialistische apparatuur gezocht naar deze tunnels. Wanneer we uit de tunnel komen stappen we de bus weer in vol indrukken en proberen we alles dat we deze dag gezien hebben te plaatsen in een wereld waar het ijzeren gordijn dus nog letterlijk aanwezig is.
Dit was louter een poging tot omschrijven hoe de situatie op dit moment is in de DMZ maar zoals al eerder beschreven is het zowel verwarrend als imponerend. De geschiedenis is in dit deel van de wereld vooral gebaseerd op eeuwige provocatie en propaganda en daarom blijft het moeilijk in te schatten wat waarheid is..

En dan zit na vijf weken Oost-Azië de vakantie er bijna op. Morgen vliegen we via Beijing terug naar Amsterdam en sluiten we toch wel speciaal af. Beijing is namelijk de stad waar we 7,5 jaar geleden onze wereldreis begonnen en we vinden het dan ook heel tof om hier nog even terug te keren. A trip down memory lane voordat we weer in ons mooie Nederland aankomen en ons op kunnen maken voor de Teacher’s Exchange in Massachusetts, Amerika, in oktober. Van die trip zullen we geen verslag doen via deze site, van welke trip dan wel, dat gaan we de komende maanden weer bepalen.. Annyonghaseyo & Sayonara (doei in het Koreaans en Japans)

*de rest van de foto’s rond de DMZ & JSA zitten onder het kopje van Zuid-Korea en die link vind je hier*

Zuid-Koreaangenaam

Als je scratchmap van de wereld thuis al aardig weggekrast is begin je ergens een luxe probleem te krijgen want ‘wat wordt nu onze volgende bestemming?’ Aangezien we elk jaar een ander continent willen bezoeken dan het jaar daarvoor en we in Afrika niet de juiste route gevonden kregen werd het Oost-Azië. Een gedeelte van Azië dat voor ons nog relatief onbekend is. In de eerste tien dagen Zuid-Korea werden we aangenaam verrast door de mensen, het land, de natuur en de cultuur. Zuid-Korea; het land van de vastgeplakte mobieltjes aan elke Koreaanse hand, appartementencomplexen van 40 verdiepingen hoog en daar waar ‘né’ ja betekent..

Metropool Seoul
Het was nog even kantje boord om de vlucht vanuit Beijing naar Seoul te halen want het taxiën duurde lang en ook de bus naar de terminal vond het nodig om een kwartier op passerende vliegtuigen te wachten. Tel daar ons gebrekkige Chinees en het feit dat Seoul Airport in de volksmond Gimpo heet bij op en dan snappen jullie misschien dat we de grondsteward van China Southern faliekant voorbij renden op weg naar onze aansluitende vlucht. Na een knap staaltje voorkruipen, langs de bagagecheck rennen zonder onze bagage gecheckt te hebben en het halve grondpersoneel van het vliegveld met ons mee te laten rennen hebben we uiteindelijk de korte vlucht naar Seoul toch gehaald.
Het hostel ligt in de Universiteitswijk van Seoul en de stad komt meteen als heel prettig op ons over. Koreanen zijn overbeleefd en ook al spreken ze een half woord Engels, als je ergens langer dan een minuut naar staat te kijken komen ze vragen of ze je kunnen helpen. En als je dan zegt dat je uit Nederland komt en ‘van Guus Hiddink bent’ kun je niets meer fout doen hier. Na een middag en nacht acclimatiseren gaan we de volgende dag op pad om de highlights van Seoul te bewonderen.
We beginnen bij het Gyeongbokgung paleis en zien tientallen vrouwen in traditionele klederdracht rond het paleis paraderen. Denken we eerst nog midden in een officiële ceremonie terecht gekomen te zijn, blijkt na wat rondvragen dat wanneer je gekleed gaat in dit soort kleding je gratis naar binnen mag. Dat hebben we met een temperatuur van 30+ maar aan ons voorbij laten gaan. Het paleis is tientallen keren gebombardeerd, afgebroken en weer opgebouwd maar met de gigantische wolkenkrabbers op de achtergrond zit je hier midden tussen twee werelden; oud en nieuw. De rest van de dag wandelen we langs nog meer paleizen, parken, door volksbuurten en naar een uitkijkpunt voordat we onder het genot van een Thaise groene curry de eerste dagen Korea op ons laten inwerken.
Korea is een land waar het openbaar vervoer meer dan prima geregeld is en binnen no time zitten we dan ook aan de oostkust in het stadje (de Koreanen noemen alles dat minder dan een half miljoen inwoners heeft al snel het platteland of een dorpje) Sokcho met haar 100.000 inwoners. Seoul zullen we aan het einde van de vijf weken nog een keer bezoeken en dan staat de spectaculaire grens (DMZ) met Noord-Korea op het programma maar die was gedurende de hele week daarna volgeboekt. Iets met hoogseizoen.. Maar in Sokcho hebben we ons ook meer dan prima vermaakt.
Schitterend Seoraksan bij Sokcho
Sokcho staat bekend om twee dingen: de vismarkt en Seoraksan National Park met haar heilige berg Ulsanbawi. Die vismarkt bezoeken we bij aankomst ’s middags en daar heb je af en toe een ietwat sterke maag voor nodig maar aan de andere kant; verser dan dit krijg je de vis niet. In grote tanks heb je keuze te over om aan te geven wat je graag zou willen eten die dag. We hebben het maar bij gefrituurde garnaal gehouden..
De echte reden dat we naar Sokcho gekomen zijn was niet de vismarkt maar Seoraksan National Park dat het mooiste van Korea schijnt te zijn. In de vroege ochtend pakken we een bus om vervolgens een hike van dik 6 uur te lopen richting Ulsanbawi; de top van een granieten berg. Langs beekjes, door naaldbossen, langs heilige grotten en tempels komen we na dik drie uur klimmen aan op de top met een schitterend uitzicht! Dit was die pittige klim wel waard. Als we de 808 treden weer afgedaald zijn lunchen we onder aan de berg, nemen de bus terug en wilden we ‘even’ een powernap doen in het hostel maar werden we drie uur later wakker. Dan maar een avondwandeling maken door de straten van Sokcho (waar gek genoeg met 100.000 inwoners ’s avonds nauwelijks iets te doen is) en afsluiten met heerlijke sushi voor nog geen €3.
Livin’ like a prayer

Na een halve dag reizen komen we in het zuiden van Korea aan in de erg gezellige en levendige stad Gyeongju. Gyeongju wordt ook wel het museum zonder muren genoemd en dat kunnen wij alleen maar beamen! Overal historische gebouwen, tombes van voormalige dynastieën die we bezoeken en schitterende paleizen met uitkijktorens tussen bloeiende waterlelievelden. Vier dagen hebben we in Gyeongju gespendeerd en die dagen verveelden geen moment (we hebben ons zelfs nog gewaagd aan een aantal nummers karaoke in een soort bushokje).
Twee dagen daarvan zijn we echt bijna letterlijk terug naar onszelf gekeerd door in een tempel te verblijven. Eventjes ‘living like a prayer’ maar dan behoorlijk hardstyle. Tegen de middag komen we aan in de Golgulsa Tempel waar we hartelijk welkom worden geheten. Vervolgens worden we in de traditionele tempelkledij gehesen en krijgen we onze kamers toegewezen (apart van elkaar, dat weer wel want mannen en vrouwen leven strikt gescheiden in de tempel) waar we slapen op een harde ondergrond en een minimaal matrasje. Niet snel daarna begint onze eerste meditatiesessie onder begeleiding van de hoofdmonnik van de tempel.
Een uur lang mediteren in een voor ons compleet onnatuurlijke houding. Na de meditatie even een uurtje ontspanning waarbij we met z’n tweeën een wandeling over een bergpad maken en vervolgens nog net op tijd bij een tempel kunnen schuilen omdat er een flinke moessonbui over ons heen trekt. Na het eten waarbij de mannen rechts en de vrouwen links in de eetzaal zitten en er absoluut niet gesproken mag worden maken we ons op voor een chanting meditatie en aansluitend een anderhalf uur durende Sunmudo-training.
Sunmudo is een martial arts sport die het midden houdt tussen Tai Chi, karate, Jiu-Jitsu en meditatie. Daarna is het douchen en naar bed om vervolgens de ochtend daarop alle ledematen stokstijf te hebben van de slechte nacht. En die nacht die duurt maar kort want om 4.10 wandelen we alweer naar een tempel boven op de berg om daar de dag te beginnen met een chantingsessie samen met de monniken. Al mediterend lopen we daarna in colonne naar beneden voor het ontbijt en wederom een Sunmudo-training van een master met de vijfde dan in Sunmudo. En wat die mannen kunnen met hun lijf en ledematen is ongelofelijk.
Sowieso vinden we de toewijding van de monniken en masters in martial arts ongelofelijk want zij vergen wat van hun lichaam en geest. Na de lunch is het tea-time samen met een monnik en kunnen we hem het hemd van het lijf vragen. Bijzonder hoe deze mannen omgaan met het boeddhisme en de keuze om monnik te worden (die volgens hen geen keuze maar een voorbestemming is). Zelf vonden wij dit het meest waardevolle aan de templestay waarmee we niet aangeven dat alle meditaties en martial arts trainingen zinloos waren maar door de gesprekken met de monnik kregen we echt een beter beeld van de beweegredenen en leefwijze van de monniken (in Korea leven nog ongeveer 40.000 monniken waarvan meer dan 60% vrouw is). Na een meditatieve cursus kaligrafie en boogschieten geeft ons lichaam aan dat het genoeg is geweest en tegen het einde van de middag pakken we onze rugzakken, nemen we afscheid van de monniken, de medewerkers en de tempel en gaan we de bewoonde wereld weer in.
Onder het genot van een goede kop koffie (waar hier in Zuid-Korea per definitie al geen gebrek aan is want op bijna elke straathoek, en zelfs daartussen, vind je een koffietentje) evalueren we de waarde van deze tempelstay voor onszelf.De dag daarna wandelen we de spieren rustig los als we een hike van een uur of vier lopen in Namsan National Park. Vergeleken met de hike die we in Sokcho liepen een eenvoudige die ons door schaduwrijke begroeiing heen leidt langs verschillende boeddhistische monumenten en tempeltjes. Meer dan eens komen we de vriendelijke Koreanen *van top tot teen gehuld in North Face trekkingskledij inclusief hoedje, gloednieuwe wandelschoenen en wandelstokken* tegen die met alle liefde en plezier een praatje willen maken met die enkele westerling die ze tegenkomen. Over het algemeen zijn de enige toeristen die wij tegenkomen in Zuid-Korea de Aziaten zelf. We schrikken soms zelfs als er ‘ineens’ een westerse backpacker passeert.
Beachy Busan en een onverwachte wending
Met een heerlijk boemeltreintje van Korail denderen we de laatste miljoenenstad van Korea binnen; Busan. Een bruisende stad waar we ons dagen zouden kunnen vermaken. Zouden, want we hebben maar voor één nacht geboekt omdat we de dag daarna ’s avonds met een slow boat naar Japan zouden vertrekken. De namiddag spenderen we heerlijk chillend op het strand waarbij we onze ogen uitkijken over de zwemkwaliteiten van de gemiddelde Koreaan. Gewapend met een opblaasbare band trotseren ze de branding om vervolgens na 5 meter in het water alweer teruggefloten te worden door één van de vele lifeguards die aanwezig zijn op het strand.
Een bijzonder strand want in de verte razen auto’s over een twee verdiepingen tellende brug en links en rechts wordt het strand geflankeerd door wederom hoogbouw. In Busan eten we in een heerlijk lokaal restaurantje waar het gaspitje gewoon in de tafel geboord is en sluiten we de avond af in een Engelse pub (zonder Engelsen).
Als we de dag daarna willen uitchecken en voor de zekerheid onze mail nog even checken zien we dat we een mail hebben van de bootorganisatie. Vanwege het uitvallen van de boot krijgen we ons geld terug. Ja, dat is heel fijn maar nu?? Gelukkig ging er nog een vederlichte speedboot diezelfde middag richting Japan en die besloten we dan maar te nemen. Reizen betekent dus soms letterlijk aanpassen en vooruitkijken want hierdoor werd ons wel eventjes een dagje cultuur en strand door de neus geboord. Voordeel is wel dat we dit verhaal schrijven terwijl de boot letterlijk over het water zweeft richting Fukuoka. En zo laten we verrassend Zuid-Korea voor drie weken achter ons en gaan we kijken wat Japan ons te bieden heeft.

Kamsahamnida (bedankt) en tot over een week of drie!!

De Galápagos – ‘Ik-war-daor’

Waar Siets haar klasgenootjes in groep 7 hun werkstukken schreven over voetbal, hun cavia of het boerenleven schreef zij één van haar eerste werkstukken over de Galápagos. Dan is de vraag of dit een langgekoesterde droom is eigenlijk ook geen vraag meer. Het is geen ‘if’ maar ‘when’ en die ‘when’.. Die kwam deze meivakantie!

Een borrelende hotspot
Als er één eilandengroep tot de verbeelding spreekt dan zijn dat wel de Galápagos-eilanden in de Stille Oceaan. De eilanden werden in 1535 per toeval ontdekt door een Panamese bisschop die van plan was om van Panama naar Peru te zeilen, maar de bekendste bezoeker van de Galápagos is overduidelijk Charles Darwin die hier in 1832 met de Beagle voet aan wal zette. Naast Charles Darwin, die zijn evolutietheorie slechts voor 1% baseerde op deze eilandengroep, kwamen ook andere beroemdheden als Thor Heyerdahl hier aan land.
De Galápagos (die eigenlijk door haar ontdekkers ‘Las Islas Encantadas’, de betoverende eilanden, genoemd werden) zijn ontstaan doordat platen divergeren *daar zijn we weer; Aardrijkskunde les 32*. Vanwege het feit dat die platen uit elkaar bewegen komt magma omhoog en stolt dit op de zeebodem. Dit ging in zo’n behoorlijke hoeveelheid en snelheid dat de eilanden boven water uitstaken. De andere ontstaanswijze is de zogenaamde hotspot waarbij er telkens een kolom heet magma door de aardkorst boort en zo effusieve vulkanen creëert. Dit is de reden dat we bijna alle wandelingen op de eilanden maken op zwart lava, dikke basaltblokken of zwartgeblakerde lavastranden.
Voor een Aardrijkskundedocente toch wel het neusje van de zalm hier *al hoef je per definitie geen docent te zijn om van al deze indrukwekkende en bijzondere landschappen te kunnen genieten* Het meest bijzondere aan de Galápagos blijft toch wel het feit dat diegenen die de Galápagos ‘hun thuis’ noemen de dieren zijn en de mens hier niet meer is dan tijdelijke paparazzi. Ook wij hingen 12 dagen lang die paparazzi uit in deze lang gekoesterde droom!
Puerto Ayor’airbnb’

Na een heel fijn weerzien in een hostel in Guayaquil ging al weer vroeg de wekker om vervolgens in no time te landen op de hele kleine airstrip van Baltra Airport. Met de wielen praktisch in het gras, het betalen van de Island Tax en de gebruikelijke check, zaten we al snel in de bus op weg naar Puerto Ayora, één van de weinige bevolkte stadjes op Santa Cruz. Twee nachten slapen we in het binnenland van Santa Cruz bij een Argentijn in een werkelijk waar prachtig huis dat uitkijkt over de Stille Oceaan en de jungle van het eiland.In de twee dagen voordat we aan boord gaan van de Aida Maria wandelen we naar een aantal lavatunnels, een hagelwit strand en het Charles Darwin Research Station.
In dit CDRS vinden we good old Lonesome George; de Pinta-schildpad die in 2012 overleed en daarmee een einde maakte aan deze schildpaddensoort. Een jarenlange zoektocht naar hét vrouwtje dat hem nakomelingen kon brengen heeft tot niets geleid en zo is George in alle eenzaamheid gestorven..In het onderzoekscentrum monitoren ze de schildpaddenpopulatie, zorgen ze voor het behoud van de flora en fauna op het eiland en zetten ze schildpadden weer uit in hun natuurlijke habitat. Op die manier zorgen de ruim 200 onderzoekers en vrijwilligers ervoor dat het leven van verschillende dieren op het eiland blijft voortbestaan. Om af te koelen nemen we een duik in het kristalheldere water terwijl honderden marine iguanas rustig vanaf het strand toekijken.
In navolging van ‘The Beagle’
’s Morgens om 11 uur gaan we aan boord van de Aida Maria; een nieuw jacht in de haven van Puerto Ayora. We worden verwelkomd door een Nederlands stel en later komen daar nog een Duitse familie *waar we heel veel en hard om en soms ook mee gelachen hebben*, nog een Nederlands stel, een Ierse, Zwitserse, Israëliër en een geweldig echtpaar op leeftijd uit Canada bij zodat de teller blijft steken op 15 personen op dit luxe bootje.De crew is ontzettend professioneel, heel behulpzaam en onze gids voor deze week, Ruben, is gewoonweg briljant.
Opgegroeid op de Galápagos en vol overgave vertelt hij op elk eiland dat we aandoen hoe en onder welke omstandigheden de dieren leven. Alleen, voordat we dat gaan doen moeten we eerst nog noodgedwongen een nacht in een hotel doorbrengen omdat door een klein binnenbrandje op de boot alle kabels zijn doorgebrand en zowel de airco, elektriciteit als de stuuraandrijving van de boot niet meer werken. Never a dull moment op de Galápagos..
Isla Isabela en haar bewoners
Na een dagje Santa Cruz met de groep waar we de gigantische schildpadden in hun natuurlijke omgeving zien, cruisen we met een speedboot richting het grootste eiland van de Galápagos; Isla Isabela. We wandelen langs meertjes met flamingo’s, zien de marine iguanas richting de zee vertrekken nadat ze opgewarmd zijn en na even aandringen bij Ruben (het weer was namelijk niet heel goed, lees: stortregen) begonnen we aan de klim van de Sierra Negra vulkaan om van de op één na grootste calderakrater ter wereld te kunnen genieten. Die klim was in minder dan een half uur gepiept maar het uitzicht liet door het weer zwaar te wensen over. We hebben er in ieder geval niet minder lol om gehad.
Na een redelijk schommelende nacht (iets met eten dat verdwijnt in een afvoerputje) meren we ’s ochtends heel vroeg aan in de baai van Punta Moreno waar we een mooie wandeling maken. Isabela is dan wel het grootste eiland, op Puerto Villamil na is het eiland volledig uitgestorven qua menselijke bewoners. Daarentegen wordt het eiland volledig bevolkt door iguanas, zeeleeuwen, Galápagos pinguïns, ontelbaar verschillende vogels en slangen. In de baai van Elizabeth trekken we voor het eerst onze wetsuits aan en gaan we al snorkelend de onderwaterwereld verkennen met al haar tropische vissen en verschillende schildpadden.
’s Middags gaan we met de zodiacs op pad en vaak worden we dan vergezeld door zeeleeuwen die met onze boot mee zwemmen. Dat het weer op de Galápagos zo veranderlijk is dat wordt deze dag wel duidelijk. Beginnen aan een wandeling in de stralende zon en eindigen in een laagje water dat in de zodiac blijft staan vanwege hevige regenval. Never a dull moment op de Galápagos part II…
Het mooiste eiland; Isla Fernandina
Na de bak water van de dag daarvoor is het weer aardig de goede kant opgedraaid want tijdens ons bezoek aan, voor ons het mooiste eiland van de trip, Isla Fernandina schijnt de zon weer volop. Onze gids Ruben vindt dit het mooiste eiland en wij snappen wel waarom! Isla Fernandina is het thuis van duizenden marine iguanas *het ziet er letterlijk zwart van de beesten* en daarnaast is het één van de eilanden waar het vulkanisme nog recentelijk haar sporen achterliet.
Al wandelend over de gestolde Phokoi Hoi lava (de naam is afkomstig vanaf Hawaii waar het zoiets betekent als lava in de vorm van een touw) zien we de iguanas wachten op het strand om te gaan lunchen, flightless cormorants die in het water op zoek zijn naar eten, haviken die wachten op een onoplettend moment van een baby iguana, zeeleeuwen die zich van niets en niemand iets aantrekken en de schildpadden die rustig in het water rondzwemmen.
Het is lastig te omschrijven maar het is een prachtig stukje natuur. Voor diegenen die de afleveringen van Planet Earth 2 al gezien hebben zullen het filmpje misschien herkennen waarin honderden slangen jacht maken op een iguana. Nou, dat is gefilmd op dit eiland midden in de Stille Oceaan.In de buurt van Punta Espinoza duiken we het koude water in waar we oog in oog komen te staan met tientallen schildpadden die langs en onder ons door zwemmen. Klappertandend komen we het water uit en als we op het dek op zitten te warmen zien we ineens een aantal vinnen boven water uitsteken. Haaien en mola mola’s (sunfish) wisselen elkaar af naast onze boot!
Na de lunch springen we in de zodiacs *of dinghy zoals de crew ze noemt* om langs steile kliffen te varen en de Jan van Gent-vogels te spotten. Hier in Zuid-Amerika worden deze vogels met hun blauwe poten de ‘blue footed boobies’ genoemd en die naam vinden we eigenlijk veel grappiger.
Voor de allerlaatste keer rondom Isla Fernandina springen we het water in om samen met de zeeleeuwen te zwemmen en verschillende soorten vissen en zeesterren te zien. Als we omsingeld worden door kwallen vinden we het wel genoeg geweest voor vandaag, nemen we een douche en zetten we koers voor een 11 uur durende vaart op open zee richting Santiago eiland.
De avonden vullen we met spelletjes spelen, verhalen vertellen en boekje lezen. Toch duren de avonden hier nooit heel lang omdat we behoorlijk uitgeput zijn van de actieve dagen. De nachten verlopen de ene keer wat beter dan de andere want de boot deint goed mee op het ritme van de golven. Gelukkig wordt ons behoorlijk wat wc-leed bespaard als we dat vergelijken met de andere passagiers aan boord.
The icing on the cake; Isla Santiago & Isla Rabida
Vandaag beginnen we onze dag vroeg met een dry landing op James Bay dat bekend staat om haar ‘fur seals’. Dit is de enige plek waar deze zeehondensoort voorkomt en ze worden helaas met uitsterven bedreigd omdat de mens in de afgelopen jaren te veel jacht gemaakt heeft op deze dieren. Ze zijn daarom ook heel angstig en territoriaal dus dichtbij komen is echt geen aanrader. Na een oververhitte wandeling langs deze dieren koelen we af in het water waar we oog in oog komen te staan met dezelfde dieren als ook een black tipped reef shark! WAUW!!!
Na een prima lunch en een spoedcursus merengue-dansen door de hilarische Canadese Cheng en één van de crewmembers stappen we weer in de dinghy en worden we afgezet op Jervis Beach op Isla Rabida. Dit is een vuurrood eiland vol met cactussen maar de hitte begint een beetje parten te spelen. We lopen over het eiland als we snel genoeg weer een duik in het water nemen waar de wetsuits niet eens voor nodig zijn omdat het water relatief warm is. En hier komt de eerste kers op de taart als we achtereenvolgens twee black tipped reef sharks zien die we minutenlang kunnen volgen, als ook een inktvis die we zichzelf telkens zien aanpassen aan de omgeving qua kleur.
Maar de echte kers op de taart komt als we weer aan boord zijn en koers zetten richting ons laatste eiland Seymour. In de verte zien we mantaroggen en dolfijnen hun sprongen maken in de lucht maar ineens zwemmen er zo’n vijf dolfijnen a la Titanic met onze boot mee. We gillen het uit en het ziet er echt zo gaaf uit!! De dolfijnen voeren recht voor onze neus een show op; ze springen, draaien en zwemmen minuten met onze boot mee. Met een gave laatste koprol lijken ze ons uit te zwaaien en verdwijnen ze weer. Omdat iedereen nog in de douche stond na de laatste snorkeltour staan we maar met een paar op het voordek en we stuiteren zelf nog minutenlang na van dit schouwspel. Wat is de natuur in de puurste vorm toch GAAF! Hierna maken we ons op voor de allerlaatste keer dineren samen met elkaar en bedanken we gezamenlijk de crew voor een onvergetelijke tour.
Een mooie afsluiting: North Seymour
De allerlaatste dag van onze tour met de Aida Maria begint onmetelijk vroeg als we al om 6 uur ’s morgens in de zodiacs stappen op weg naar het allerlaatste eiland: Seymour Norte. Ook nu weer een nieuwe diersoort in de vorm van de land iguana’s. Deze zijn, in tegenstelling tot hun broertje de marine iguana, veel kleurrijker.
Naast de land iguana’s lopen (en dansen) hier honderden blue footed boobies rond die een schitterende paringsdans voor ons opvoeren. Ook zien we de fregatvogels met hun rode bies. Deze rode bies kunnen de mannetjes als ze op zoek zijn naar een geschikt vrouwtje binnen een aantal minuten helemaal vol laten lopen met lucht waardoor het net lijkt alsof deze vogel met een grote ballon onder zijn kin rondvliegt. Grappig ziet het er in ieder geval wel uit.
Na het ontbijt wordt het dan toch echt tijd om afscheid te nemen van Ruben, zijn crew en een groot deel van de groep. Wij vertrekken samen met Mirko & Amanda, Wouter & Linda, Zoë (de Ierse) en Jardin (de Israëliër) terug naar Puerto Ayora. De rest van de dag doen we het rustig aan en lezen we wat in de hangmat bij Roby, onze Airbnb host, thuis. Onze allerlaatste dag sluiten we erg gezellig af samen met Amanda op het strand van Las Grietas waar we tussen grote basaltblokken door zwemmen en later sluit ook Mirko nog aan voor een aantal gezellige borrels en een heerlijk afsluitend etentje. En zo pakken we op de laatste avond onze spullen voor de terugreis naar Nederland..
Een droom in vervulling, een meer dan geslaagde tour langs de verschillende eilanden en een hele hoop indrukken verder komt er aan dit avontuur ook weer een einde. Ondanks dat we weten dat de crew en Ruben van de Aida Maria dit niet lezen willen we toch een groot woord van dank aan hen uitspreken want wat hebben zij mede gezorgd voor een onvergetelijke trip door de Galápagos! Daarnaast hebben we in onze handen mogen klappen met de groep want we hadden een hele jonge groep vergeleken met andere cruises die we tegen zijn gekomen. We hebben heel veel gelachen, gegierd en toffe gesprekken gevoerd en ook dat heeft ervoor gezorgd dat we naast Frans-Polynesië, Paaseiland en Antarctica de Galápagos kunnen toevoegen aan een heel bijzonder en illuster rijtje bestemmingen. Onze bucketlist is weer een stukje kleiner geworden maar we geloven wel dat die nooit ‘afgetikt’ gaat zijn.. Tot in juli in???

Cuba Libre

Landen in Cuba is als het maken van een timewarp maar dan tig jaar terug in de tijd. De Amerikaanse Pontiacs, Chevrolets en Lada’s bepalen het straatbeeld van zo goed als elke Cubaanse stad. In dat straatbeeld vind je, naast de typische auto’s, barretjes op elke hoek van de straat waar de rumba, salsa of son uit de speakers komt. Een glas pure Cubaanse rum is goedkoper dan een blikje fris en elke man met een beetje een respectabele leeftijd heeft een sigaar in één van zijn mondhoeken hangen. En dit alles in een land dat nog steeds zo goed als afgesloten is van de buitenwereld; internet is er niet en je gaat van ‘casa particulares’ naar ‘casa particulares’ die de Cubanen met alle liefde (en een beetje commissie) voor je regelen. Cuba; expect the unexpected!

Kleurrijk Havana
CHAOS! Dat is het enige woord dat we er voor over hebben bij aankomst op de luchthaven van Havana. Eerst staan we bijna 45 minuten op de landingsbaan te wachten tot het vliegtuig aan de slurf gezet wordt, daarna moeten we een uur wachten op onze bagage en vervolgens nog een uur in de rij om onze Euro’s om te wisselen voor Cubaanse ‘Cuc-jes’. Ondertussen passeren tig nieuwe televisies en andere geïmporteerde elektronica uit de V.S. ons. Op dit moment heeft Cuba nog een soort van handelsverdrag met de V.S. waardoor de Cubanen redelijk goedkoop hun producten kunnen invoeren en dat gebeurt dan ook massaal. Na geld gewisseld te hebben pakken we een taxi naar Casa Verde.
In Cuba zijn er amper hostels en daarom slaap je in zogenaamde ‘casa particulares’; een kamer bij een familie thuis, vergelijkbaar met de guesthouses elders ter wereld. ’s Nachts om half 1 bellen we aan bij The Greenhouse alleen blijken wij daar geen reservering te hebben! Na een sms’je gestuurd te hebben blijkt dat we bij het verkeerde Greenhouse staan (wie geeft haar huis dan ook dezelfde naam?!). Met bepakking naar de hoofdweg gelopen en daar een oude Amerikaanse bak aangehouden die ons wel naar het juiste adres wilde brengen. Een prima en mooie casa alleen had die maar plaats voor twee in plaats van drie nachten.
En hoe gaat dat dan in Cuba? Via via weten zij dan altijd wel iets anders voor je te regelen. Zo kwamen we de laatste nacht in Havana in de casa van Olympisch kampioen Dayron Robles op de 110 meter horden in Beijing terecht! Reizen in Cuba betekent nog meer dan in andere landen ‘live and let go’ want de mensen hier regelen elke keer jouw volgende verblijf. Van Havana tot Viñales en via Trinidad weer terug, overal lijken zij vrienden of familie te hebben die ons graag willen helpen.
In Havana lopen we in twee dagen door de drie belangrijkste wijken Vedado, Centro Havana en Havana Vieja met de laatste als favoriet. Al pratend en lachend met de Cubanen die gewoon spontaan een praatje met je willen maken lopen we langs de highlights van de stad. Als je aan Havana denkt dan denk je aan de grote oude Amerikaanse bakken, sigaren maar vooral veel salsa muziek. Op elke straathoek een artiest, op elke andere straathoek een dansende Cubaan. Van jong tot oud, rijk of arm en dik of dun.
Een aantal keren hebben we ons ook laten vervoeren in één van die typische auto’s en het lijkt net even alsof we in een Grease look-a-like film uit de jaren ’70 terecht zijn gekomen. Op Plaza Vieja, midden in de stad laten we het dagelijks leven aan ons voorbij trekken met een Cristal biertje en een Cuba Libre in de hand.
Sigaren, rum en rocking chairs in Viñales
Wanneer je een sigaar kauwende boer op zijn paard voorbij ziet galopperen en een ouder echtpaar vreedzaam in hun sillon (schommelstoel) op een veranda ziet zitten dan weet je dat je maar een paar kilometer verwijderd bent van het schattige dorpje Viñales in het westen van Cuba. Gelegen in een prachtige vallei hebben we drie dagen in het dorpje doorgebracht waar werkelijk op elke veranda een aantal schommelstoelen rustig meedeinen op de wind.
In Viñales lopen we één dag samen met een local door de Valle de Silencio (niet dat die zo heel stil was met de hordes toeristen die op dit moment Cuba bevolken). In deze vallei bezoeken we achtereenvolgens een tabak-, koffie- en rum plantage. Bij de tabaksplantage krijgen we uitleg over hoe tabak verbouwd en geoogst wordt en hoe hier uiteindelijk de oh zo bekende sigaren gemaakt worden. Natuurlijk moeten die sigaren, met naar eigen zeggen van de ‘guajiro’ (tabakboer) ‘de beste ter wereld’, geproefd worden. En zo voelt Gijs zich echt even Don Corleone op het platteland van Viñales.
Na een shot rum (de bekende Havana Club rum koop je hier in de barretjes voor omgerekend €1,00 en een Mojito blijft steken op een prijs van €2,50) wandelen we door naar een uitkijkpunt over de vallei en een meertje waar Gijs nog een duik neemt voordat we stoffig en al neerploffen bij één van de gezellige barretjes in Viñales.
De volgende dag huren we twee fietsen en verkennen we de omgeving van Viñales met haar plantages en grotten. Het is in Nederland dan wel hartje winter, hier vallen de mussen door de hitte van het dak. Vandaar ook dat we rond een uur of 3 op de veranda in de schommelstoel van onze eigen casa particulares bij een ouder echtpaar neerploffen en de wereld aan ons voorbij laten trekken. Als het zo over 40 jaar in Nederland ook kan dan tekenen we daarvoor hebben we besloten.
Koloniaal Trinidad
In één volle dag van het westen van Cuba, Viñales, naar het centraal-zuidelijke deel, de koloniale stad Trinidad. Een collectivo zou ons in iets meer dan 6 uur van A naar B brengen. Alleen kwam daar halverwege net voor Havana plek C tussen toen het hele busje (lees: gammel busje) overgeladen werd naar een nog gammeler busje waar in totaal 18 mensen in pasten. Nou ja, pasten.. Eigenlijk paste het voor Nederlandse begrippen niet maar voor Cubaanse begrippen ging het prima. En die 6 uur.. Die werden er 9… Toch goed en wel in Trinidad geraakt waar we weer in een casa bij een familie thuis sliepen.
Trinidad is te vergelijken met Antigua in Guatemala en zelfs een beetje met Cuzco in Peru. Ongeplaveide straten, veel koloniale huizen en wederom schalt uit elk huis de muziek je tegemoet. Trinidad staat ook bekend om het gegeven dat er heel veel live muziek gemaakt wordt op straat en om die reden voelde Trinidad meteen als de beste keuze van Cuba.
Drie dagen spenderen we hier en ook hier vieren we weer een memorabele Oud en Nieuw. Wanneer we op oudejaarsdag aan de ontbijttafel op het dakterras zitten horen we een varken oorverdovend krijsen. Even later is het stil en als we naar beneden kijken zien we dat het varken bijna voor onze neus geslacht wordt. Dit blijkt in Cuba een ritueel te zijn op de laatste dag van het jaar. Al lopend door het kleine stadje ruiken en zien we meerdere varkens aan het spit ronddraaien terwijl de gehele familie met een biertje of glas rum in de tuin zit.
De Cubanen zijn echte familiemensen en dat blijkt in alles. Ze nodigen je elke keer bij aankomst in een casa meteen uit voor het avondeten en het ontvangst is elke keer meer dan hartelijk. Ons Oud en Nieuw vieren we samen met nog duizenden anderen op Plaza Mayor. We betalen de entreeprijs van één hele CUC (omgerekend 1€) en wanneer we net een drankje in de hand hebben komen we Koen, een collega van Siets, met zijn schoonfamilie tegen. Samen met hen hebben we een gezellige avond die we na 0.00 (waar gek genoeg om 00.10 op het hele plein de muziek uitgaat en het feestje ‘finito’ is) op de meest gekke plekken in Trinidad voortzetten. Zo komen we eerst terecht bij een straatfeest om de hoek bij het plein, vervolgens bij een grot waar een discotheek in zit en sluiten we de avond af bij een ander straatfeest waarbij locals samen met toeristen helemaal uit hun dak gaan. Een goed begin van 2017!
Nieuwjaarsdag staat voor ons in het teken van een echte Nieuwjaarsduik; alleen wel in water van zo’n 25 graden in een helderblauwe zee! Na een dagje bakken en boekje lezen op het strand mengen we ons in het feestgedruis van Trinidad. Nieuwjaarsdag wordt hier waarschijnlijk grootser gevierd dan oudejaarsdag want 1 januari is ook de dag waarop in 1959 de Revolutie ontketend werd door Castro.
Wanneer we richting onze casa lopen worden we aangesproken door Luis op zijn kleine kruiwagen. Luis is 70 jaar lang historisch geograaf geweest en dat levert mooie gesprekken op. Daarnaast zegt hij een poëet te zijn en in nog geen twee minuten heeft hij een gedicht voor en over ons op papier gezet.
Wanneer we naar onze casa lopen denken we de kern van Cuba ineens te pakken te hebben: de mensen zijn zo ontzettend expressief! Of het nu door middel van dans en zang is of door schilderijen (in Havana werd Siets in no time nagetekend door een jonge vrouw) en gedichten, de Cubanen zijn echt sterren in het uiten van gevoelens. Niet de auto’s en de gebouwen maakten de meeste indruk op ons maar de Cubanen zelf…
St(r)andje relaxed in Varadero
Na een taxiritje in een oude Peugeot uit 1993 waarbij we het idee hadden over de weg te vliegen in plaats van te rijden komen we tegen het begin van de middag in het stadje van de resorts aan; Varadero. Twee nachten hadden we al via onze casa in Trinidad geboekt maar de eerste nacht nog niet. Geen probleem dachten wij, we vinden vast wel iets. Maar na 5 uur rondwandelen en door een aantal Cubanen letterlijk elke casa te laten bellen was er werkelijk in heel Varadero nog maar één kamer over in een 4* all inclusive resort. En omdat we niet nog een keer een nacht in een slaapzakje op het strand door wilden brengen besloten we om na het ‘Lech-verhaal’ van Bart en Daan ons eigen ‘Varadero-verhaal’ te maken.
Eén nacht in een resort en daar vervolgens de andere twee dagen nog heerlijk van profiteren. Je bent toch op een budget he?!? Die luxe was een prima afsluiting van Cuba en met zo’n fijn bandje om je arm voelden wij ons even de koning te rijk in Varadero. We konden in ieder geval met 90% van de bezoekers van Varadero mee want resorts zijn hier eerder regel dan uitzondering. En met Varadero kwam er ook een einde aan twee weken backpacken door kleurrijk en gastvrij Cuba.
Cuba; expect the unexpected!
Cuba, een land met een bewogen geschiedenis en voor ons een mega last minute! We zijn echt heel blij dat we de kans gehad hebben om kort na het overlijden van Castro nog het ‘oude’ Cuba te zien. Hebben we daar nu heel veel van gemerkt? Van het regime van Castro (zowel Fidel als zijn broer Raùl) merk je zo in het straatbeeld niet zo veel. De economische positie van de Cubanen is niet altijd even best te noemen maar daardoor hechten ze wel heel veel waarde aan hun familie.
Bovenal is Cuba een ontzettend gastvrij en veilig land waarvan we wel denken dat steeds meer toeristen hun weg zullen vinden naar dit mooie eiland. De oude Trabantjes en Lada’s zullen de komende jaren steeds meer en meer uit het straatbeeld verdwijnen en plaats gaan maken voor de modernere auto’s, net zoals dat ook internet gemeengoed gaat worden in dit straatbeeld.
In dat opzicht zijn we blij dat we redelijk halsoverkop vertrokken zijn op de vooravond van Kerst en in het andere opzicht was het ook wel weer eens fijn dat we Kerst en Oud & Nieuw nog eens in een korte broek en met zonnebril konden vieren.  Blijven we volgend jaar dan thuis met Kerst? Wie weet… Maar eerst ‘ontzomeren’, iedereen in Nederland fysiek een gelukkig en gezond 2017 wensen en ons dan alweer snel genoeg opmaken voor een nieuw avontuur in april: de Galapagos-eilanden!! Hasta luego!

Viva Colombia

Bij het land Colombia komen vaak de woorden 'FARC, drugs, gevaarlijk en onbereisbaar' naar voren. Wij zouden er graag het volgende van willen maken 'gastvrij, bereisbaar, vriendelijk, eerlijk en oprecht'. Nog nooit hadden we in Latijns-Amerika het gevoel zo gastvrij en eerlijk behandeld te worden als hier in Colombia. Omdat het de Colombianen ontbreekt aan trekpleisters als een Machu Picchu of een Borobodur werkt het land harder aan het trekken van toeristen dan elk ander land. En dat begint en eindigt bij de oprecht vriendelijke en goedlachse bevolking. Hopelijk krijgen jullie net zo'n ander beeld van Colombia na het lezen van ons verhaal dan dat wij hebben na 3,5 week reizen door dit land. Pura vida COLOMBIA!

The Darien Gap
Ons vorige verhaal eindigde in Capurganá, een onontdekt pareltje op de grens met Panama. Dat pareltje heeft een dubbele lading; enerzijds zijn er de mooie plekjes (waar wij er één van te pakken hadden, hoog op een berg aan de rand van de jungle) en anderzijds is daar The Darien Gap. The Darien Gap is een bijna ondoordringbare jungle vol gevaren van giftige en gevaarlijke planten en dieren tot nog zo heel af en toe drugssmokkelaars en guerrillastrijders. Wij zien daar gelukkig niets van, alleen het groen van het bladerdak.
Dagelijks komen in Capurganá Haïtiaanse bootvluchtelingen aan. Zij hebben geholpen bij de bouw van de voorzieningen voor de Olympische Spelen, zijn daar niet meer nodig en vertrekken vanuit Brazilië, door Peru, Ecuador en Colombia naar Panama om zo in de V.S. te geraken in de hoop op een beter leven.
Daarnaast zie je geregeld kleine vliegtuigjes op een hoogte net onder de radar overvliegen en dan hoeven wij jullie niet te vertellen dat die niet 'gewoon' de post komen bezorgen in dit deel van Colombia. Cocaïne is een wijdverspreid goed maar een keer nee knikken voldoet al en met een lach lopen de Colombiaanse mannetjes dan bij je weg. Op de ochtend dat we Capurganá achter ons laten is de feestmuziek dan ook niet van de lucht. De lieve hosteleigenaar zegt dat ze waarschijnlijk een verjaardag vieren maar als wij langs het desbetreffende huis lopen waar we een groep jongeren nogal high zien wezen denken we eerder dat het feestje te danken is aan een goed afgeleverde lading cocaïne dan een echte birthday bash.
Koloniaal Cartagena
Cartagena is één van de oudste koloniale steden van Colombia waar we een aantal dagen heerlijk rondgestruind hebben. De witte stad wordt ook wel de koningin van de Caribische kust genoemd en dat snappen we wel; al wandelend van terrasje naar fruitbarretje naar stadsmuren van waaruit we gigantisch ver de Caribische Zee konden bekijken verkenden we de mooie stad.
Cartagena lijkt 's avonds wel een beetje op een gemiddelde Spaanse stad met al haar gezellige barretjes en straatartiesten en het was ook in Cartagena waar we Gijs zijn 33e verjaardag vierden met een heerlijke Argentijnse steak en het was ook in Cartagena waar we een dag later allebei wat ziekjes waren maar dat mocht de pret niet drukken. Een dagje herstellen betekende weer relatief fit op weg naar het jungledorpje Minca.
Mooi Minca
Wanneer we in het hoger gelegen Minca aankomen lijkt het helemaal alsof we een sprookje van Grimm of Andersen binnen wandelen; grote palmbomen, andere plantjes en ontelbaar veel verschillende tropische dieren die ons tegemoet floten of kwetterden. Casa Loma is een prachtig hostel gelegen op net zo'n prachtige plek. Alleen ligt die plek wel ver boven Minca wat betekende dat we in een tropisch klimaat met onze rugzak en backpack tig treden omhoog moesten om er te komen; maar wat was het dat waard! Ons kleine hutje in de jungle heeft waarschijnlijk het beste uitzicht want wanneer we 's morgens wakker worden kijken we uit over de jungle van Noord-Colombia.
In Minca wandelen we de dagen daaropvolgend eenmaal in de tropische regen naar een waterval samen met de Friese Grietje en de andere dagen chillen we bij het hostel of wandelen we naar een andere waterval. Het plan was om naar de grootste hangmat ter wereld te gaan maar er bleek in de periode dat wij hier zaten net een bruiloft van een week aan de gang te zijn dus helaas ging dat feestje voor ons niet door. Het maakte ons verblijf in Minca in ieder geval niet minder gaaf.
Adrenaline rushes in San Gil
Met een nachtbus waarbij beide chaufs bijna doorkunnen als Formule 1-coureurs komen we 's morgens heel vroeg in de 'Adrenaline Capital' van Colombia aan; San Gil. San Gil staat garant voor verhoogde hartslagen en dat hebben we zeker ervaren. Op dag 2 dat we in het lieflijke stadje verblijven gaan we samen met José een dagje canyoningen. Met de lokale bus worden we ergens langs de kant van de weg gedropt en lopen we de canyon in. De eerste sprongen van 6 meter hoge rotsen worden gewaagd en kort daarop volgen ook de eerste afdalingen aan een touw langs rotsen en door watervalletjes.
We zijn vandaag maar met z'n drieën en dat maakt het juist zo gaaf. Halverwege de tocht worden we vergezeld door Caine, een wilde hond die de kliminstructeurs beschermd, en zo vervolgen we de tocht met z'n vieren. De kers op de taart moet dan nog komen als we vlak daarna abseilen van een meter of 20 en tot slot van een rots afspringen op 10 meter hoogte. Een mooi dagje adrenaline snuiven.
Lang de tijd om hiervan bij te komen hebben we niet want de volgende dag staat de meest spectaculaire rafttrip op het programma die we so far gehad hebben. Na een ontzettend uitgebreide safety instruction, zowel op het droge als in het water, gaan we in een raft de Rio Suarez op. De rapids met categorie 1 en 2 worden snel opgevolgd door rapids met een categorie 3, 4 en zelfs 5!
Doordat we voor in de boot zitten is het avontuur nog een stuk spectaculairder omdat je echt ziet en voelt hoe de raft geregeld een duik maakt en de golven volledig over de raft heenslaan. We peddelen tot we spierpijn hebben en een aantal keren vissen we andere toeristen uit het water die uit één van de andere rafts geslagen zijn. Hoe gaaf is dit! Na twee uur water happen en flink peddelen komen we bij het eindpunt aan en sluiten we de rafttocht doorweekt af met vers fruit en een biertje.
's Avonds wagen we ons met een blik andere toeristen aan een spelletje tejo, een typisch Colombiaans spel waarbij je met een soort discus/kogel/gewichtje probeert om van een flinke afstand op een bak met klei te gooien. In die bak liggen twee kleine driehoekjes en als je die vol weet te raken dan knallen ze uit elkaar met een oorverdovend lawaai omdat in die driehoekjes buskruit zit. Het spel verder heeft heel veel weg van jeu de boules alleen is dit een stuk moeilijker.
De dag waarop we met de volgende nachtbus naar Medellin vertrekken pakken we in de ochtend eerst nog een lokale bus naar het mooiste witte stadje van Colombia; Barichara, wat zoiets betekent als 'stad van compleet relaxen'. We lopen door de straten met grote keien, passeren witte lemen huisjes met rode daken en genieten van de vergezichten op de Andes. Barichara was een prima afsluiting voor ons en voldaan (en ook een beetje vermoeid) nemen we die avond de nachtbus naar de stad van Pablo Escobar; Medellin.
Het Medellin van de Paisas en een beetje van Escobar
Tot zo'n 20 jaar geleden was Medellin nog de gevaarlijkste stad van de wereld maar sinds die tijd is er veel, heel veel, veranderd. Hoeveel er in die jaren daarna veranderd is wordt ons duidelijk wanneer we een Real City Tour boeken met gids Hernán die geboren en getogen is in de stad en de stad dus ook kende van toen het nog echt gevaarlijk was. In zijn jeugd was het elke keer maar weer de vraag of hij levend terug kwam van school als hij een voet buiten de deur zette. Hij vertelt, soms geëmotioneerd, maar altijd bevlogen hoe in de jaren '80 het Medellin van Pablo Escobar tot stand kwam en hoe de nieuwe regering sinds 2002 werkt aan een beter bestaan voor elke Colombiaan.
De sloppenwijken van Medellin beschikken nu over roltrappen en ook al lijkt dit een kleine vooruitgang, het is wel een vooruitgang met erkenning dat ook de inwoners van de armste wijken er toe doen. De onderhandelingen die op dit moment gaande zijn met de FARC zijn volgens Hernán niet per definitie goed of slecht. De FARC-strijders zijn voor een keuze gesteld; of zichzelf vrijwillig aangeven en als straf 8 jaar op het land werken of wanneer ze zichzelf niet aangeven maar opgepakt worden een straf uitzitten van 20 jaar. En zoals Hernán het keer op keer verwoord: 'I rather prefer peace above justice'. Soms moet je kiezen voor vrede in plaats van gerechtigheid om als land verder te kunnen.
De geschiedenis van Colombia is gewelddadig en dat is ook de reden waarom buitenstaanders die de geschiedenis kennen vaak huiverig zijn als het gaat om reizen binnen Colombia. Toch is die geschiedenis van Colombia meer dan de dertig jaar dat er oorlog gevoerd wordt tegen de drugskartels. Tegenwoordig is Medellin (en daarmee ook het grootste deel van Colombia) veilig en zeker net zo veilig, of zelfs nog veiliger, dan een land als Peru of Argentinië. Natuurlijk zijn er wijken waar je na de avondschemer niet meer moet komen maar datzelfde geldt ook voor de gemiddelde Nederlandse stad. Eigenlijk tovert elke Colombiaan (of Paisas zoals de inwoners van Medellin zich noemen) een lach op zijn of haar gezicht, wil een handdruk of in het geval van Siets krijgt ze zelfs een knuffel van een hele oude opa. Gewoon.. om hallo te zeggen en gewoon.. om te laten merken dat ze blij zijn dat wij er zijn! In welk land krijg je dat nu nog?!
Na deze indrukwekkende tour die de hele middag in beslag nam gingen we een dag later nog een stukje verder met de zogenaamde 'Pablo Escobar Tour' waarbij we een inkijkje kregen in zijn leven. De Colombianen zullen hem ook nooit bij zijn volledige naam noemen omdat ze er het liefst niet mee geassocieerd willen worden. Voor een enkele Colombiaan is hij goed geweest door het grootste probleem in Colombia te verhelpen; de huizennood. Maar voor het gros van de bevolking bracht 'El Patron' van het grootste drugskartel ooit alleen maar rampspoed.
Even een aantal feitjes om de twintig jaar die de drugskartels geheerst hebben over Medellin samen te vatten:
- Direct en indirect levert de drugshandel werk aan 1,7 miljoen mensen in Colombia;
- Toch maakt de drugshandel maar 3% van het totale BNP van het land uit wat wil zeggen dat de andere 97% voorkomt uit de grote rijkdom aan grondstoffen die het land bezit;
- Het grootste probleem binnen de drugshandel is niet de productie en het verwerken hiervan maar de landverdelingen waarop de cocaïne geteeld wordt;
- In 1991 kende het aantal moorden in Medellin haar hoogtepunt met 381 moorden op 100.000 inwoners. Ter vergelijking: Londen en Parijs kennen een cijfer van 3.8 op 100.000 inwoners. Het aantal is nog nooit zo laag geweest als de afgelopen jaren;
- Pablo Escobar was niet de grootste drugsbaron binnen het Medellin-kartel, want dat was zijn neef Gustavo, maar wel de bekendste;
- Sinds 2002 is er een verschuiving te zien binnen de drugshandel van Colombia naar Mexico als centraal punt;
- Tot een aantal maanden geleden mocht geen enkele motorrijder met helm rijden en was het ten strengste verboden om een man achterop je motorbike te hebben. Of dit nu je vriend, je broer, je vader of je zoon was, het mocht absoluut niet. Het eerste vanwege de identificatie van de moordenaar en het tweede omdat de schutters achterop de motorbike in bijna alle gevallen mannen bleken te zijn..
Samen met nog 10 andere toeristen en de gidsen Nicolas en Paula rijden we langzaam langs alle gebouwen waar Escobar zijn stempel op gedrukt heeft. Zo passeren we gebouw 'Monaco' van waaruit hij zijn command center had. Opvallend aan alle gebouwen die Escobar bezat is dat ze allemaal wit zijn (en dat is gek in een stad die volledig herrezen is uit rode bakstenen), voor elk gebouw een rij palmbomen staat en geen enkele van die gebouwen nog een functie heeft heden ten dage vanwege het feit dat er altijd wel een afgeleide van het kartel is die met behulp van de nodige corruptie zorgt dat er geen nieuw doeleinde komt voor deze leegstand.
We passeren ook het graf van Escobar en het huis waar hij doodgeschoten is, een dag na zijn 44e verjaardag. Het lugubere aan het verhaal is dat er nog steeds roddels de rondte doen over wie hem nou vermoord zou hebben. Waren het de Pepes (People persecuted by Pablo Escobar), de politie of heeft hij zichzelf uiteindelijk door het hoofd geschoten nadat hij kort daarvoor in zijn heup en borst geraakt was?! We eindigen de tour met wederom persoonlijke verhalen van Nicolas en Paula die beiden twee jaar jonger zijn dan wij en werkelijk alles in hun jonge levensjaren meegemaakt hebben dat je niemand toe zou wensen. De reden dat zij deze tour gestart zijn is om te laten zien dat Colombia meer is dan Escobar en zijn drugskartel en dat het land liever niet herinnerd wil worden aan deze geschiedenis. Net zoals Duitsland dat liever niet wil met Hitler. Zij willen de gemiddelde toerist een reëel beeld meegeven van Colombia en daarnaast de boodschap meegeven dat als je ergens in gelooft je echt die verandering kunt zijn die je teweeg wilt brengen.
Behoorlijk onder de indruk verlaten we 's middags de stad voor een uitstapje naar het mooie Guatapé, met prachtig uitzicht over een merengebied, maar wat zijn we blij dat we deze stad op een veilige manier kunnen bezoeken. De Paisas en eigenlijk alle Colombianen zijn een ontzettend optimistisch volk. Ondanks hun gruwelijke geschiedenis houden ze liever vast aan kleine hoogtepunten. Zo stond het land laatst compleet op haar kop toen ze een aantal gouden medailles wonnen tijdens de Olympische Spelen en praten ze nog steeds over het legendarische gelijkspel tegen Duitsland op het WK van 1990! Wij hebben ons geen moment onveilig gevoeld in deze stad want de Paisas zijn ontzettend blij en trots om hun hernieuwde stad Medellin aan ons te tonen.
Als kers op de taart in Medellin gaan we de zondagavond naar een wedstrijd van Atlético Nacional, de club die afgelopen seizoen de Copa Libertadores won, tegen Millionaires uit Bogotá. Gehesen in het groen-wit van de club gaan we samen met een groep toeristen al lopend op weg naar het stadion. Vanuit alle hoeken zien we de diehard supporters aankomen en al zingend het stadion binnen gaan. We hebben kaartjes gekregen met een bepaald vak, rij en stoelnummer maar bij het naar binnen gaan zegt onze gids Andres: 'Ga gewoon zitten waar je zin hebt en waar plaats is'. En zo staan we tussen de locals recht tegenover het vak van de harde kern. Wat een sfeer, wat een avond en wat een wedstrijd! De harde kern springt, stampt, zingt en trommelt de volle 90 minuten en het hele stadion deint mee (voor een impressie net na de 1-0 bekijk het filmpje hier).
En wij staan 90 minuten al springend en hossend met een grote grijns op ons gezicht want zoiets maak je in de Nederlandse competitie never niet mee. Niet zoals de supporters hier maar ook niet qua voetbal; niks liggen om een klein pijntje, de scheids fluit bijna voor geen enkele overtreding en de spelers bikkelen gewoon door.  Na een verhitte strijd (Millionaires mist ook nog een penalty) sleept AN de winst met 1-0 binnen en kunnen ze zich opmaken voor de volgende wedstrijd die een paar dagen daarna al plaatsvindt. Ook anders dan in Nederland.. Wij hebben genoten en wat was dit een hele vette afsluiting van indrukwekkend Medellin…
Zona Cafeteria en waxpalmen
Een oneindig lijkende busrit bracht ons naar één van onze laatste bestemmingen van deze reis: Salento, een klein dorpje in de koffieregio van Colombia. In een afgelegen hostel op een half uur lopen over een stoffige zandweg vanuit Salento gooien we onze backpacks neer voor vier nachten. Samen met een clubje Britten, Amerikanen, Nieuw-Zeelanders en Belgen gaan we de dag daarna al hikend de Valle de Cocora in. Deze prachtige vallei staat vol zogenaamde waxpalmen; bij het kappen van het tropisch regenwoud wisten de boeren niet wat ze met die 60 meter hoge palmen moesten en hebben ze maar laten staan.
De dag daarna gaan we naar een koffieplantage waar we in drie uur tijd een mooie en goede uitleg krijgen over hoe en waarom koffie op een bepaalde manier verbouwd en geproduceerd wordt in Colombia. Colombia is de nummer vier van de wereld als het gaat om de grootste koffieproducenten maar toch drinken de Colombianen zelf alleen de koffie van een mindere kwaliteit.
Onze laatste dag in Salento spenderen we op een paard als we al hobbelend over de oude onverharde weg van de Spaanse kolonisten (die loopt van Santa Marta in Noord-Colombia naar Lima in Peru) naar een waterval gaan. Van het hiken hadden we conditioneel totaal geen last maar na drie uur hobbelen en galopperen op een paard zijn we zo moe dat we 's middags in een hangmat bij het hostel in slaap vallen.
Downhill in poppig Popayan
Het laatste stadje dat we aandoen voordat we de grens met Ecuador passeren is het witte stadje Popayan, in het zuiden van Colombia. Het is net als Cartagena een koloniale stad alleen worden de straten hier niet bevolkt door toeristen maar door studenten. Op de zaterdag gaan we voor onze sportactiviteit en pakken we de mountainbikes, gooien die in een busje en gaan op weg naar de thermale baden van Tibia in de buurt van een vulkaan.
Op de één of andere manier waren die baden niet zozeer de attractie maar wij wel! Gingen wij in een leeg bad nummer 1 dan was dat bad binnen no time vol met locals die een praatje met ons wilden maken of ons gewoon aanstaarden. Liepen we verder naar leeg bad 2 dan had ineens iedereen hetzelfde plan. Aan verhalen geen gebrek in ieder geval. Na een uurtje of twee in de baden rondgehangen te hebben was het tijd om de 30 kilometer terug naar Popayan af te leggen. Ongeveer 26 kilometer ging hard downhill maar een aantal kilometer moesten we ook (soms steil) omhoog. Een heerlijke activiteit en hiermee sluiten we Colombia af. Morgen gaan we voor hardcore bussen (zo'n 11 uur) om op tijd voor onze vlucht in Quito, Ecuador, aan te komen.
En dan zit het er weer op.. De 5,5 week zijn omgevlogen en we hopen dat, ondanks dat het een veel langer verhaal geworden is dan gepland, we het juiste beeld hebben kunnen schetsen van Colombia. Tijdens onze wereldreis werden wij al enthousiast gemaakt over het land en nu hebben we zelf kunnen ervaren en ondervinden wat alle backpackers ons al vertelden: Colombia is waanzinnig! Het land leeft, danst, zingt en dat komt vooral door de bevolking die voor ons ab-so-luut het vriendelijke volk is dat we tijdens al onze reizen tegen zijn gekomen. Het enige dat we dan ook hopen is dat iedereen alle angst, schroom en twijfels opzij durft te zetten en een ticket boekt naar dit land. Dan gaan wij ondertussen nadenken waar wij ons volgende ticket naartoe zullen boeken…..